HANS
PAASCHE
1881
-
1920
DE
ONTDEKKINGSREIS VAN
DE AFRIKAAN
LUKANGA
MUKARA
NAAR
DE
BINNENLANDEN VAN DUITSLAND
INLEIDING
Tijdens
mijn laatste reis
naar de binnenlanden van Afrika bezocht ik een nog niet ontsloten
streek, die
een eigen, oude en zeer van de Europese afwijkende cultuur bezat. In
zijn
wonderbaarlijke afzondering, bewaarde deze streek tot in onze tijd
toestanden en
volkszeden, die door de eigen manier van denken, de eigen “cultuur”
stimuleren.
Ik heb tot nu toe niet het besluit kunnen nemen, om over die streek
iets in de
openbaarheid te brengen. Het leek mij immers, dat een reis van
nauwelijks vijf
maanden, niet voldoende was om tot een volledig onbevooroordeeld
standpunt te
komen. Ik kwam met de indruk thuis, dat nog niet ontdekte landen en
volkeren
voor ons een zegen zouden kunnen zijn, omdat wij van hen, die alle
verworvenheden van onze cultuur niet kennen, maar ook vrij zijn van
onze fouten
en gewoonten, zouden kunnen leren, onszelf beter te kennen. Tot nu toe
ben ik eigenlijk
bij die mening gebleven. Maar ik was er nog helemaal niet aan
toe, om met
dergelijke overwegingen naar buiten te treden en het als kritiek op
onze
toestanden aan te bevelen. Daarbij gebeurde er iets bijzonders,
waardoor mijn
taak minder duidelijk werd.
Een neger, die ik aan
het hof van koning Ruoma tegenkwam, is
op mijn voorstel ingegaan en heeft zich door de vorst van het land
Kitara de
opdracht laten geven, om een reis door Duitsland te maken. Lukanga
Mukara is,
zoals zijn naam al zegt, een man, die van het eiland Ukara in het
Victoriameer
komt. Hij is lang geleden van het overbevolkte eiland naar het
nabijgelegen
eiland Ukerewe geëmigreerd en heeft daar bij de “blanke vaderen”
lezen en
schrijven geleerd. Daarna is hij tijdens een reis bij de pater, die hij
vergezelde, weggelopen en bij Ruoma, de koning van Kitara gebleven,
waar hij zijn
overvloedige kennis als tolk, verteller en raadgever, ten nutte maakte.
Daar
heb ik hem leren kennen.
De brieven van
Lukanga
zijn bijzonder waardevol. De
vreemdeling neemt zichzelf als maatstaf voor de toestanden in
Duitsland. Wat voor
ons normaal lijkt, valt hem op. Zijn opmerkingsgave en de zuiverheid
van zijn
oordeel brengen met zich mee, dat hij veelbetekenend over zaken kan
spreken,
waar wijzelf nu eenmaal niet meer onbevangen tegenover kunnen staan.
Hans Paasche
Eerste
Brief
Berlijn,
1
mei
1912.
Omukama! Grote en
onvergelijkelijke koning!
Ik schrijf u als uw
gehoorzame dienaar, die u hebt
uitgezonden, om te zien of er een koning bestaat, die op u lijkt en of
er een door
mensen bewoond land is, dat de mensen meer heeft te bieden, dan uw land
Kitara,
het land van de langhoornige runderen.
Laat ik op het
antwoord
van die vraag meteen vooruitlopen: er
bestaat geen dergelijk land, er bestaat geen dergelijke koning.
Wat ik op mijn
verdere
reis heb gezien, is echter waard, dat
u het weet, en als ik weer gezond naar huis terugkeer, kan ik het u ook
zelf
vertellen, en u zult het dan nog nauwkeuriger ervaren, dan wanneer
Ibrahimu, de
man van de kust, mijn brief alleen aan u, of als het uw wil is, meer
dan eens
in de kring van uw Wakungu (=edellieden die tot de hofhouding behoren)
voorleest.
Toe u mij het bevel
gaf
om te reizen en u mij uit uw
uitgestrekte rijk twaalfhonderd runderen en tweeduizend geiten meegaf,
waar ik
mee kon betalen, wat mijn reis in de vreemde landen kostte, wist
niemand, dat
ik nu al, na twee maanden, geen een van uw blanke runderen meer bij mij
zou
hebben, en dat ik desondanks, mede dankzij uw rijkdom en uw macht, geen
gebrek
zou leiden.
Ik heb meteen al bij
het grote meer van de Wasukama al uw
runderen en geiten tegen stukken metaal ingeruild en deze stukken
metaal weer
tegen beschreven papier. Vervolgens ben ik daarmee alleen verder
gereisd, en
waar ik het papier laat zien, krijg ik weer munten, die ik gebruik om
voedsel
te kopen. Zo machtig werkt uw naam.
Weet dat het land
waarin ik nu rondreis Duitsland heet. De
inwoners van het land betalen niet met runderen en geiten, ook niet met
glazen
kralen, kaurischelpen of katoenen stoffen; hun betaalmiddel bestaat uit
kleine stukken
metaal en gekleurd papier, en dat papier is meer waard dan metaal. Er
bestaat
een bruin papier, dat meer waard is dan al uw runderen. Het is ongeveer
alsof
men in het Sabinjogebergte vier drachtige koeien voor een gevlochten
ring van
gras zou kunnen kopen. (Bovendien weet immers iedere hutu [=
akkerbouwer], dat
men voor twintig ringen van gras niet eens zoveel brandhout kan kopen,
als een
gezin gebruikt, om zich in de regentijd een warme nacht te
verschaffen!) Ik zou
uw gezicht wel willen zien, las u lacht over deze onzin, die ik u
vanuit de
binnenlanden van Duitsland vertel. Maar, grote koning, een ding moet ik
u toch
steeds weer vertellen: de inwoners van het land ervaren dat en nog veel
grotere
onzin, als iets vanzelfsprekends, en zij zijn daar zo aan gewend, dat
ze zouden
schrikken, als het anders zou zijn. Ja, als ik u vertel, (ik spreek de
taal van
de inboorlingen al heel goed), dat wij in Kitara met andere munten
betalen, dan
zeggen zij, dat wat zij hebben beter is en vragen of ze moeten komen om
u dat
betere te brengen. Ze noemen alles wat ze willen brengen, met
één woord:
“cultuur”. Maar omdat niemand iets beters kan brengen dan hij heeft, en
omdat mij
datgene, wat die “mensen” (zo noemen zij zich in volle ernst) hebben,
niet
bevalt, antwoord ik telkens, dat u daarvoor “hartelijk bedankt”. Dat is
namelijk de uitdrukking, die ze gebruiken, als ze willen zeggen, wat in
onze
taal: “Nee, ik wil niet!” betekent.
Heer van de bergen, u
bent misschien boos op mij, omdat ik de
honderd snelvoetige boodschappers en uw honderd brievenbegeleiders in
het woud
van Bokome, aan de grens van uw rijk, heb achtergelaten. Dat moest ik
doen, als
ik ten minste meer landen en zeeën wilde doorkruisen om dit land
te bereiken.
Ik moest van het plan afzien, om voor elke brief, die ik u schrijf, een
boodschapper en een brievenbegeleider mee te nemen. Want het gaat hier
heel
anders met brieven dan in uw land. Bij u geldt het als wet, wat
iedereen weet, namelijk
dat er op één dag maar één brief in uw stad
mag aankomen. Die wordt door een
boodschapper gebracht, en iemand anders begeleidt hem, want iemand
alleen kan
geen boodschapper zijn. Als die twee de Ruhiga zijn overgestoken, dan
snelt de tijding
van hun komst hen vooruit, en is al spoedig in uw residentie bekend. En
als zij
dan eindelijk, na dagen, over de pas van Kibata afdalen, dan volgt hen
een
talrijke schare opgeschoten jongemannen, en de trommelaars en blazers
lopen de
helling voor het hof van Kabares af, u tegemoet.
Wat betekent
daarentegen een brief in dit land! Niets! En dat
mag ons niet verbazen; want in Duitsland zijn net zoveel brieven als
grashalmen
op de weilanden van Mpororo. Een enkele boodschapper draagt honderden
brieven
tegelijk, ja, iedereen mag brieven krijgen, een menigeen krijgt vele
brieven
tegelijk. Ik zie zelden, dat iemand door het lezen van al die brieven
meer of
minder tevreden wordt. En als hij over een brief verdrietig wordt,
grijpt hij
meteen naar de volgende, waar hij vrolijk van wordt, en als hij alle
brieven
heeft uitgelezen, dan weet hij niet of hij vrolijk of verdrietig moet
zijn. Hij
is er alleen maar moe van geworden, en heeft minder zin om de akker te
hakken
of het vee te hoeden. Als hij ten minste over vee beschikt.
U ziet wel, dat dit
volk ongelukkig is, maar vraag mij
vandaag niet naar de oorzaak. Ik zal u in de volgende brief ook alleen
maar beschrijven
wat ik zie, en zal pas veel later mijn conclusies trekken. Ik heb u nog
veel te
schrijven.
Moge Riangombe, die
voorbij de vuurberg woont en die met
sneeuw zijn voeten koelt, u en mij behoeden,
Uw dienaar Lukanga
Mukara.
Tweede
Brief
Birkhain,
20
mei
1912.
Stralende
Kigeri!
Ik bevind mij op een
afgelegen plaats. Om mij heen zijn heuvels
met struikgewas. Tussen de hoge bomen ligt een meer, tussen het riet
van de
oever zwemmen eenden. In het kalme water staan kraanvogels, en hoog in
de lucht
vliegen twee ooievaars, die net vandaag uit Kitara zijn overgekomen,
waar ze de
tijd hebben doorgebracht, die hier bitterkoud is en wanneer sneeuw en
ijs
manshoog op het land liggen, zoals u dat kent van de top van de
Karissimbi. De
wilde drukte van de stad dringt hier niet door, en ik zou kunnen
denken, dat ik
in Kitara ben, aan de oever van de Ruhiga, aan de wijde bochten van de
Urigi,
waar de roep van de kroonkranen tot ver in de omtrek weerklinkt, als ze
met
trage vleugelslagen over de rijpe korenvelden wegvliegen. Het is
dezelfde
schreeuw die ik hier hoor. Maar de vogel ziet er anders uit: hij mist
de
borstelige kroon en de witte borst. Maar de achterkant van zijn kop
glanst
bronsrood. Ik ben hier naartoe gegaan, omdat mijn hoofd in de war
raakte van al
het nieuwe en tegenstrijdige, dat ik in dit vreemde land heb gezien, en
omdat
ik van het lawaai weg wilde.
Stralende vorst! Als
ik
mij onder de duizenden strakbeklede
Wasungu (= Europeanen) begaf of ’s nachts
uit mijn dromen ontwaakte, voelde ik mij vaak alsof ik pombe had
gedronken.
(Zoals die ene keer, toen Ibrahimu, die de roes van een mens als
onwaardig
beschouwt, mij nog niets van zijn leer had verteld.) Over dit land ligt
zoiets
als een grote zinsbegoocheling. Men zegt in Kitara: waar tussen de
bergen rook
opstijgt, daar ligt het doel van de reiziger, want daar is warmte en
voedsel. Een
ambachtsman brandt houtsnijwerk uit, de ijzersmelters zitten in de open
lucht
aan de blaasbalgen of een smid smeedt speerpunten, bijlen en naalden.
Daarom heerst
daar een bedrijvig leven, en komen er veel mensen, die zich verheugen
over de
kracht en de vaardigheid, die onder het volk aanwezig is.. Als een smid
van
zijn werk opstaat, dan prijst men zijn brede schouders haast meer als
zijn
vaardige handen.
In Duitsland is heel
veel rook. Maar dat is geen rook, die de
ogen van een wandelaar opgewekt maakt, die de voetstappen versnelt of
het hart
sneller laat kloppen. Het is geen rook in de frisse lucht; het is rook
in de
walm, rook in de rook. In lange, stenen buizen wordt de rook naar de
hemel
geleid. Maar de hemel wil hem niet, en dus ligt de rook als een
ochtendnevel
over de aarde. En omdat hij, als een dikke, adembenemende massa overal
heen
stroomt, hoe zou men dan ergens heen kunnen gaan, om zich over zijn
oorsprong
te verheugen! Integendeel: wie zijn longen niet met rook wil vullen,
ontvlucht
die plekken, waar de vele inwoners bij elkaar wonen, en vlucht naar het
platteland, waar de lucht nog zuiver en fris is. Want de lucht die de
Wasungu
gewoonlijk inademen is onverdraaglijk. Ze houden ervan om voor hun
werk, voor
hun vermaak, voor hun onderricht, ja zelfs voor hun eredienst in
afgesloten
ruimten samen te zijn. Urenlang. Iedereen ademt de lucht in, die iemand
anders
al heeft ingeademd. Daarmee vermengen zich rook, walm en etensgeuren.
Veel van
hen moeten wel ziek zijn. Ik weet dat niet; want ik zie alleen maar
gezonde
mensen in de straten en geloof, dat ze de zieken naar een andere plaats
brengen.
Ik ging achter een
grote rook aan en kwam in groep mensen
terecht, die dezelfde kant uitliepen. Het waren mannen en vrouwen, die
er
allemaal niet vrolijk uitzagen. Ik vroeg aan een jonge Sungu, waarom
hij zo snel
liep, en of er, waar hij heenliep, iets moois was te zien? Hij lachte
spottend
en onvriendelijk en zei, dat hij naar zijn werk ging en dat, als hij te
laat
zou komen, “de ouwe” zou schelden. En de gehaaste had geen tijd om met
mij
verder te praten.
Er bestaat eigenlijk
geen Sungu, die geen haast heeft.
Iedereen is altijd wat van plan, en nu weet ik ook, waarom de Sungu,
die in
Kitara rondreisde, zo vaak aan de mannen vroeg: “Wat voor werk doe je?”
En
waarom hij zich opwond, als hij ten antwoord kreeg: “Tinkora
mlimô
mingikala". "Ik werk niet; ik ben beschikbaar”. Dat maakte hem boos,
omdat er in Duitsland niemand is, die zonder werk tevreden mag zijn,
behalve
als hij veel geld heeft. Ze werken allemaal, omdat ze geld willen
hebben. En
als ze geld hebben, gebruiken ze dat niet om zich geluk te verschaffen,
wat
immers niets zou kosten, maar ze laten zich door anderen aanpraten, dat
ze, om
gelukkig te zijn, alle mogelijke dingen moeten kopen, dingen die
volstrekt
nutteloos zijn en die worden gemaakt, waar de rook opstijgt.
Ik geloof dat iemand
die weinig nodig heeft en niets koopt,
in Duitsland niet meetelt. Maar iemand, die zich met duizend dingen
omringt,
die hij moet beschermen, op moet bergen en schoon moet maken, ja, waar
hij
dagelijks naar moet kijken, die telt mee. En zo iemand kan immers
nergens tijd
voor hebben, hij kan ook niets nuttigs doen. Hij zal altijd boven op
zijn
spullen moeten zitten, in plaats van naar buiten te gaan en liederen te
leren.
Daar is in Kitara alleen maar een stok, een gevlochten buidel met twee
houtjes
om vuur te maken en een gitaar voor nodig. Wie dat meeneemt, kan
reizen, en
wanneer hij na maanden weer thuiskomt, over de dansen en liederen van
andere
volkeren vertellen, over de manier waarop andere volkeren op olifanten
jagen en
hoe de rijpe maagden zich opsieren.
Dat is dwaling die
over
het land heen ligt: ook in Duitsland
heeft ooit rook de plek van gelukkige arbeid aangewezen; maar dat is nu
voorbij. De arbeidskracht werd tot een vloek, die het vuur voortbrengt,
de
inwoners zijn ellendige slaven geworden, die met de kracht van het vuur
werken.
Dat zag ik toen ik de rook achterna ging. Mannen en vrouwen staan in
een
vreselijk lawaai, dat heviger is dan het lenteonweer, en bewegen hun
handen aan
machines. Daar staan ze dan, in een slechte lucht, in een gesloten
ruimte en met
een helemaal bekleed lichaam. Ze doen werk, dat nooit klaar komt, en
jarenlang
doen ze hetzelfde werk. Hoeveel beter is het niet in Kitara! Daar heeft
elk
jaargetijde zijn eigen werk, en niemand hoeft het hele jaar aan de
blaasbalg te
staan of runderhuiden te kloppen. Om het land te bebouwen moeten de
houwelen
klaar zijn. Voor die tijd hameren de smeden en voor het smeden wordt
het ijzer
gesmolten. De rook trekt weer weg, en de meest tere planten groeien
weer rondom
de ijzersmelterij. En ook de longen van de mensen worden weer schoon.
Ik zei al, dat de
inwoners zelfs bij het werk kleren dragen.
Dat is zo, en ik verbaas me daar elke keer weer over. Alle inwoners
lopen alleen
maar gekleed rond, en zelfs voor het baden trekken ze een dun gewaad
aan.
Niemand heeft het recht om bloot te lopen, en zelfs niemand vindt het
aanstootgevend en ordinair om kleren te dragen. Zelfs de koning van het
land
onderwerpt zich aan de kledingdwang. Op zijn lijf draagt hij dikke,
genaaide
stoffen, hij bedekt zijn hoofd en zijn voeten bekleedt hij met aan
elkaar
genaaide kalfshuid. Wat bent u vergeleken met hem toch groots en
verheven,
Mukama! Uw gewaad is een bastvezel, waaraan twee bewerkte hoorns van
een
bosgeit hangen; een gestreept geitenvel bedekt uw linker heup. Uw borst
ademt
vrij, de zon beschijnt uw gladde huid en uw naakte voet beroert de
vruchtbare
aarde.
Zo loop ik nu ook
hier
rond in het zand, waar geen inwoner
mij ziet. Als ze mij bloot zouden zien, zouden ze mij achtervolgen. Ook
ik moet
in dit land kleren dragen, als ik het volk niet wil opwinden. Het is
een
kwelling voor uw vrije dienaar, een smart en een gevaar, dat hij alleen
maar op
zich neemt, ter wille van het onderzoek en de wetenschap van Kitara.
U denkt zeker, dat de
bewoners van het platteland, buiten de
stad, wel naakt rondlopen: nee, ook zij bekleden zich van top tot teen,
en
bovendien ziet men nooit een man, die geen hoed op het hoofd draagt.
Als iemand
in een stad zonder hoed zou lopen, zouden de inwoners in een schare
achter hem
aanlopen en hem uitlachen. De hoed is het teken van waardigheid, en al
bestaat
hij ook uit een vieze, zweetdoordrenkte bundel troep, het geldt als
voornaam om
die te dragen. Daardoor komt het, dat bij de meeste Wasungu de
hoofdharen uit
gebrek aan licht en frisse lucht wegrotten en het hoofd kaal wordt. Dat
is dan
ook een grote zorg voor alle mannen, en ze geven veel geld uit bij
mensen, die
met het verzorgen van de hoofdharen van andere inwoners hun geld
verdienen.
Daar laten zij zich een heleboel verschillende vloeistoffen aansmeren
en
verkopen. Alleen dat ene doen ze niet, wat niets kost en wat zowel in
Duitsland
als in Kitara, door de armste man het gemakkelijkst kan worden gedaan:
geen
hoed op het hoofd zetten.
De Wasungu zeggen dat
men een hoed nodig heeft om het hoofd
warm te houden, te beschermen en om daarmee te groeten. Hun groet
bestaat
namelijk daaruit, dat ze de hoed in een keer van het hoofd nemen en er
weer op
zetten. Knielen en in de handen klappen is als groet volstrekt onbekend.
Wat voor kleren ze
aan
het lijf moeten dragen, schrijven de ambachtslieden
voor, die de kleren naaien, en met name de rijke inwoners volgen hen
daar
onvoorwaardelijk in. Als U misschien denkt, dat een krachtig, mooi en
soepel
lichaam in een dergelijk gewaad goed uitkomt, vergist u zich. De kleren
van de
mannen worden zo gemaakt, dat iedere slappeling er net zo uit ziet als
een
gespierde man, en dat geen enkele man het nodig vindt om zijn lichaam
te
verbeteren of zich er voor te behoeden om zijn lichaam te misvormen: de
kleren
verhullen elke zwakte. Zelfs de vrouwen kijken bij de keuze van de man
niet
naar schoonheid en kracht van het lichaam, maar naar de vorm en de
prijs van de
kleren en de hoed. De vrouwen weten helemaal niet hoe een fraai,
ontwikkeld
lichaam er uitziet. Ze trouwen dus met een kostuum en tegelijkertijd
met de
man, die daarin zit. De slechte gewoonte van het kleren dragen, brengt
ook met
zich mee, dat de mannen en vrouwen bij de Wasungu met elkaar trouwen,
zonder
dat ze van elkaar weten, hoe ze er bloot uitzien. Dat zou in Kitara als
een
schande en de allerlaagste rotstreek worden beschouwd, als het ooit
voor zou
komen. Het zou een misdaad tegen de toekomst van het volk zijn. In
Duitsland
geldt het als netjes.
Zou u, grote koning,
willen weten wat ik zelf aan het lijf
draag, om ongehinderd door de steden van de bewoners te kunnen lopen,
en hoe ik
die smeerlapperij van de kleren verdraag?
’s Morgens na het
baden
wrijf ik de huid met olie in en trek
onder- en bovenkleren aan. De onderkleren worden door banden, over de
schouders
heen, vastgehouden. Dat doet pijn, omdat de druk van de banden het
bovenlijf
samenbuigt. Veel Wasungu lopen daardoor krom, en hun rug steekt ver
naar
buiten. Om de hals knoop ik een stijve ring van plantenvezels, een
vreselijke
uitvinding, die des te onbegrijpelijker is, omdat de Wasungu de kunst
om zachte
weefsels te maken, meesterlijk verstaan.
Over de voeten
stropen
de Wasungu strakke weefsels uit schapenwol,
waardoor ze de tenen met geweld samenpersen, zodat het voor hen
onmogelijk
wordt gemaakt om met vaste tred te lopen. Ik hield die pijn niet uit,
toen ik
probeerde om die weefsels aan de voeten te dragen, en heb het onderste
gedeelte
van die kledingstukken afgesneden, wat niemand kan zien, omdat de
voeten helemaal
in leren hulzen zitten, die strak zijn dichtgemaakt. De schoenen spelen
bij de
bekleding een grote rol. Het klinkt ongelofelijk: ook de vorm van de
schoenen
wisselt naar de gril en de wil van de ambachtsman, en de voet van de
inwoner
moet de meest zonderlinge vormen aannemen, om in de schoenen te kunnen
worden
geperst. Ikzelf heb door een ambachtsman schoenen voor mijzelf laten
naaien,
die zo groot zijn, dat ik daar mijn tenen vrij in kan bewegen.
De Wasungu trekken
hun
schoenen niet uit, als ze de huizen
binnengaan, en ze wassen hun voeten niet voor ze binnentreden, maar ze
vinden
het belangrijk, als de buitenkant van de schoenen maar is
schoongepoetst. Er
wordt aan de vervaardiging van middelen om de schoenen te poetsen meer
moeite
besteed, dan aan maatregelen om de voeten zelf goed te ontwikkelen en
gezond te
houden.
Als ik in mijn
schoenen
heb gelopen en mijn huis binnenga, denk
ik elke keer, dat ik mijn schoenen uit zou moeten trekken, voor de deur
een
voetbad zou moeten vinden en een bank om op te zitten, en dan zou er
een
bediende moeten komen om mijn voeten te wassen en te oliën. Niets
van dat
alles: op plekken, waar aparte ruimten om te wachten zijn aangelegd,
vindt men
boeken om te lezen en kan men veel zeldzame dingen kopen, die elke
wandelaar
kan missen en waar de Kitara ook vandaag nog zonder kan; toch bestaat
er geen
gelegenheid, om in de tijd van het wachten een voetbad te nemen. Geen
enkele
inwoner heeft ook de behoefte om dat te doen, en zo lopen ze dus van ’s
morgens
tot ’s avonds in dezelfde kleren, met dezelfde schoenen en met dezelfde
hoed op
het hoofd, en omdat ze de volgende dag dezelfde kleren aan willen
trekken,
mogen zo ook niet al teveel zweten. Daarom en om hun kleren te sparen,
moeten
ze langzaam lopen. Alleen de kinderen mogen rennen. De volwassenen
rennen
nooit, maar omdat ze altijd haast hebben, lopen ze ook niet: ze rijden.
Door
het gebrek aan beweging, verandert hun lijf zodanig, dat ze zich niet
eens meer
bloot zouden kunnen vertonen, zelfs als het de gewoonte zou zijn om
zonder
kleren te lopen, en veel mannen zien eruit als vetgemeste honden of als
de
nijlpaarden uit Ukonse.
U vraagt naar de
krijgers van het land en naar de vrouwen?
Daar zal ik u later over vertellen. Het zijn grote ontberingen die ik
lijd, om
mijn opdracht om dit land te onderzoeken te vervullen. De zeden van het
volk
bedreigen mij en mijn gezondheid. Wat mijn lijf aan de buitenkant
meemaakt, en
wat ik ben gedwongen naar binnen te werken, terwijl ik hier leef, is
schadelijk
voor mij.
Maar twee dingen
hebben
mij vanuit mijn vaderland naar hier
begeleid: de zon, die met zijn stralen mijn rug verwarmt en die grote
vogels,
die eerder dan ik naar Kitara terugkeren en mijn koning de groeten
zullen
brengen van zijn dienaar Lukanga Mukara.
Derde
Brief
Berlijn,
16
augustus
1912.
Kamerere Rugawa,
Vader
der runderen!
Dit is de derde keer,
dat ik u schrijf, en u zult wel zeggen:
Lukanga moet maar naar huis komen en het ons zelf vertellen, in plaats
van
boodschappers te sturen met het beschreven papier. Wordt niet
ongeduldig! Kom
ik gauw terug, dan vertel ik niet veel, blijf ik echter lang, dan mag u
van mij
verwachten, dat ik het land van de Wasungu nauwkeurig ken en zoveel in
mij heb
opgenomen, dat ik nog jarenlang kan vertellen en u jarenlang kunt
luisteren.
Wat nu juist het
handwerk van het schrijven betreft, is het
echt onbegrijpelijk, dat ik in dit land geen Sungu tegenkom, die niet
heeft
geleerd te schrijven. Ook de boerenkinderen weten hoe ze met kleursap
en pen
moeten omgaan en kunnen de tekens van anderen lezen. Ook degenen, die
hen in het
handwerk van het schrijven onderrichten, geloven, dat de boeren
daardoor
langere aren oogsten en meer vee bezitten.
Het is zeker, dat
sommige Wasungu van het schrijven en lezen voordeel
hebben en zeer wijs worden; maar velen van het volk verliezen echter
door deze
kundigheid, een heel veel tekenkundigen worden tevergeefs beter, want
kijk, er
bestaan in dit land dan wel wetten die iedereen gebieden om schrijven
en lezen
te leren, maar er bestaat geen wet, die verbiedt om iets slechts te
schrijven
en te lezen. En zo wordt er erg veel slechts over een volk dat kan
schrijven,
heengeschreven. Er kan geen wet bestaan, die verbiedt iets slechts te
schrijven. Want wie zal bepalen, waar de grens van het goede ligt? En
juist het
slechte, dat zich onder de schijn van het goede verbergt, is voor de
mens het
gevaarlijkst. De Wasungu hebben geschriften, die zo goed zijn en zo
zuiver als
de lucht in de bergen van Bugoie in de regentijd. Maar slechts weinigen
ademen
die lucht in. De meesten worden vastgehouden in de muffe stank van het
moeras.
Onder degenen, die schrijven en het geschrevene verkopen, zijn er maar
al
teveel, die niet schrijven, om de lezers iets belangrijks te vertellen,
maar
alleen om echt veel geld te krijgen. Daarom vleien en prikkelen ze de
lezers en
vertellen hen over een wereld, waar ook de domste en grootste luilak
mee
tevreden moet zijn, zonder dat in hem de wil wordt opgewekt, om naar
het betere
op te stijgen. Hoe zou namelijk iemand iets beters willen, als hem het
slechte
als het goede wordt afgeschilderd? Zo is het met datgene wat wordt
geschreven,
verteld en verspreid onder de tekenkundigen. Maar ook in het dagelijkse
leven
vormt het geschrevene een gevaar.
De hutu in Kitara kan
niet schrijven en mag het niet leren.
Hij kijkt naar de man, die spreekt, vraagt naar zijn komaf en verleden
en
daarnaar beoordeelt hij de waarde van zijn woord. Bevalt de spreker hem
niet,
dan schenkt hij hem geen aandacht. Voor de boer in Duitsland is het
moeilijk om
achter het geschrevene de man te herkennen, die hij moet vertrouwen.
U vraagt zeker, hoe
de
Duitse boer, ofschoon hij kan lezen en
schrijven, dan nog kan oogsten? Mukama, hoe hij dat kan, is mij op mijn
reis
door het land duidelijk geworden. De Duitse boer kan zich daarop
instellen: hij
maakt weinig gebruik van lezen en schrijven, en vaak vergeet hij het
echt snel.
Als iemand hem wat heeft mede te delen, dan schrijft hij niet, maar
loopt, net
zo als een Hutu, vijf uur lang over het land. Hij brengt dan het
antwoord, dat
beter is als een geschreven antwoord, meteen mee naar huis. Zo komt
het, dat
ondanks de wet die het schrijven gebiedt, het Duitse land golft van het
hoge
koren en dat het weidegroen over de ruggen van de antilopen heenbuigt.
Ik heb u al verteld,
dat de Wasungu zich mensen noemen, en ik
weet, waarom ze dat doen. Het is hen door Riangombe, de altijd wakkere,
ingegeven, zich mens te voelen. Wilt u dat ook begrijpen spreidt dan, o
stralende, de huid van een otter bij het heilige bos van uw voorvaderen
uit, ga
daar dan rustig op zitten en kijk naar de termieten, die in hun aarden
huizen
wonen. Wat bent u voor deze kleine schepsels? Uw schaduw scheert over
hen heen,
zoals bij ons de schaduw van een samengepakte wolk. Zij bekommeren zich
niet om
u. Zij kennen onder de zon niets groters dan zij zelf. “Wij zijn de
mensen”,
zeggen ze, “wij zijn de denkende schepsels, en alleen voor ons de
wereld is
gemaakt. De hele wereld draait om ons.” De trekmieren en alle andere
mieren zijn
naar hun mening “wilden”, en over de rupsen en kevers, die zij naar hun
bouwsel
slepen, zeggen ze, dat het minderwaardige schepsels zijn, zonder
gevoelens,
zonder verstand en alleen met “instincten” begiftigd. Ze zeggen ook
over
zichzelf, dat zij alleen de juiste levensbeschouwing hebben. Zo gaf
Riangombe
ieder schepsels in, om zich als middelpunt van de wereld te beschouwen
en de
aarde als zijn voeten te zien.
Met de Wasungu is het
niet anders. Ook zij geloven, dat de
aarde ter wille van hen is gemaakt en zij beschouwen zichzelf als het
beste,
wat op deze aarde is voortgebracht.
Stralende leider,
heeft
de schepper het niet wijs bepaald,
dat iedereen met zijn lot tevreden kan zijn? Tevreden betekent, als hij
dat ene
doet: als hij zichzelf verwezenlijkt. Kijk, ook de arme kan tevreden
zijn, en
de honger verbittert alleen hen, die moeten toezien, hoe anderen
voedsel
verkwisten. Wanneer iemand echter alleen is, kan hij zelfs honger
verdragen: waar
niet echt de meest ondragelijke honger heerst, daar kan zelfs de
onderdrukte,
kan zelfs de arme tevreden zijn. Want als iemand rijk is en zich met
meer vertoon
omgeeft dan de arme, dan denkt de arme toch, dat de rijke er voor hem
alleen
is, om hem met zijn pracht en met de vele bonte zaken, die hij
achtereenvolgens
aan moet trekken, een plezier te doen, en hij heeft bovendien
medelijden met de
rijke die niet kan genieten van het toekijken, omdat niemand rijker is
dan hij.
En de rijke en machtige vergeet, dat hij eigenlijk alleen maar een
toneelspeler
is, die zich nauwgezet moet kleden, moet laten beschilderen en op het
juiste
moment van rechts of links moet optreden, zodat de armen iets kunnen
zien. Hij
vergeet, gelooft zelfs, dat de arme er alleen ter wille van hem is, om
naar hem
te kijken, en hij heeft medelijden met de arme.
Hier wil ik u als
voorbeeld een voorval vertellen, dat ik heb
meegemaakt. Een grote veldheer van het land wilde zich aan de
verzamelde
krijgers tonen, om hun strijdlust in vredestijd aan te wakkeren. Hij
wilde zich
ook aan het volk tonen, en dat stond dicht bij elkaar op het plein en
keek toe.
Ook ik bevond mij als toeschouwer tussen het gewone volk. Het was een
warme
dag. De veldheer kwam. Hij zat op een mooi paard, had dikke en zware
stoffen om
zijn lijf gesnoerd en was over zijn hele lijf met metalen blaadjes en
kettingen
behangen. Op zijn hoofd had hij, zoals alle krijgers, een omgekeerde
vaas,
waaraan de staarten van witte kippen waren gehangen. Overal waar hij
voorbijkwam, schreeuwde het volk, en de veldheer moest dan met zijn
rechter arm
zijn hoofd vasthouden, waarbij hij het heel warm kreeg. Veel
bontbehangen
edelen volgden de veldheer te paard en allemaal hadden ze het erg warm.
Toen merkte ik, dat
de
meest eenvoudige onder de toeschouwers
ook deze moeizame praal alleen op zichzelf betrekt en zich zelfs vrijer
kan
voelen, dan de bewonderde veldheer en zijn gevolg. Naast mij zei iemand
tegen
een ander: “Hei, Emel, kom, laat die vent alleen zweten, ik ga maffen.”
Door
deze woorden, die tegelijkertijd de spreekwijze van een bepaalde streek
weergeven, werd mij bevestigd, wat ik u vandaag schrijf: iedereen ziet
de
wereld en zijn eigen positie, vanuit zijn eigen middelpunt.
En dat is ook de
reden,
waarom de Wasungu ertoe komen,
zichzelf mensen te voelen. Ze doen dat heel welbewust, ze geloven echt,
dat ze
mensen zijn. Riangombe gaf hen in, zich mensen te voelen.
Die Wasungu, Mukama,
zijn echt geen mensen; want ze zijn
heidenen en weten niets over Riangombe en de bloemenoffers. En toch
moeten wij
proberen hen te begrijpen en niet geloven, dat alleen wij verlicht
zijn.
Riangombe schiep in ieder schepsel een ander beeld van zichzelf en
wilde ook,
dat elk van zijn schepsels op zijn eigen manier groot zou zijn. Juist
daarin
zie ik zijn grootheid en verhevenheid. En als ik u ook van alles
beschrijf, wat
mij aan de zeden en het denken van de Wasungu al te onzinnig lijkt, dan
zie ik
nu toch ook al, dat wij de Wasungu niet kunnen verbeteren en
veranderen, zelfs
als we het zouden proberen. Want als wij hen iets zouden willen
brengen, onze
taal, onze dansen of zelfs onze zeden en ons denken, dan zouden wij hen
iets
vreemds brengen, wat niet uit henzelf komt. Ze zouden het aannemen,
maar als ze
dan ook iets zouden hebben, wat bij ons goed is, dan zou het bij hen
niet goed
zijn. Ik steek de draak met hen; maar als er echter helemaal niets
goeds aan
hen zou zijn, dan zou ik er ook geen zin in hebben, hen langdurig en
grondig te
bestuderen. Ik moet nu denken aan de woorden, die Rugaba, de wijze uit
Sabinjo,
vaak zei: “In al het zijnde is God, en alles wat bestaat, is groot.
Alleen wat
God je niet heeft gegeven om te begrijpen, dat beschouw je in de natuur
als
klein. Hij wil, dat je het klein ziet; je mag het echter niet willen
veranderen: want het is even groot als jij.”
De stam van de
Wakintu
heeft Riangombe het vermogen gegeven,
om in andere schepsels het volmaakte te zien. Daarom zijn de Wakintu
echte mensen;
die wijze uit Sabinjo heeft echter aan uw hof vaak het verhaal van de
hond
verteld, die een zintuig meer heeft dan de mens: je loopt met de hond
en hebt
hem aan de lijn. Dan trekt hij naar voren en beweegt zich met kracht
over een
spoor, dat jouw oog niet had gezien. Zoals jij een wit rund in een
kudde zoekt,
zo ruikt en volgt de hond het spoor van een steppenbok. En terwijl jij
in de
bamboestruiken geen drie passen ver ziet, vertelt de wind aan de hond,
waar het
wild in de buurt is. Zoals de hond de gave heeft om waar te nemen, wat
jij niet
kunt zien, zo zijn er schepsels, die de dingen met andere
verstandelijke
vermogens bekijken en opvatten dan wij, en het is gemakkelijker om te
zeggen:
“Ik ruik niets, dus er is niets”, dan toe te geven, dat onze gaven ons
alleen maar
niet toestaan, alles te weten.
Ik heb u, Mukama, al
verteld, over de kleding van de Wasungu
en wil u nu ook over de vrouwen vertellen. Het is voor mij wel
moeilijk, om de dingen
te doorgronden. Maar een ding weet ik nu zeker: de vrouwen van de
Wasungu
worden kunstmatig misvormd, en de zo ontstane misvorming wordt door
huiden,
stoffen, vlechtwerk, leer en veren van wilde vogels zo bekleed, dat er
een
nieuwe figuur ontstaat, die met het natuurlijke, mooie vrouwenfiguur,
zoals wij
dat bij de Wakinti kennen, niets meer gemeen heeft. Naakte vrouwen en
meisjes
ziet men nergens, noch op straat, nog bij het werk op het land. Ook
baden ze
niet allemaal, en die wel baden, hebben gewaden aan en het is niet
toegestaan
om hen van dichtbij te bekijken. Alleen ’s avonds, als de Wasungu samen
eten en
drinken, zijn de meisjes zo goed als naakt, en is slechts een gedeelte
van het
lijf met kleren bedekt. Ze durven niet helemaal zonder kleren te komen,
omdat
hun lijf uit twee delen bestaat, die slechts losjes met elkaar zijn
verbonden
en door een uitwendige, stijve constructie bij elkaar worden gehouden.
Die constructie
bedekken ze ’s avonds dus met maar weinig kleren. Maar natuurlijk niet
meer dan
echt nodig is.
Als de vrouwen die
constructie niet zouden hebben, dan zouden
ze samenklappen en niet rechtop kunnen lopen. De constructie is
waarschijnlijk
een oeroude uitvinding van de mannen. Ze hebben dat, om ondanks hun
eigen sloomheid
en slechte levensgewoonten in uithoudingsvermogen en gezondheid de
meerdere te
zijn, aan de vrouwen opgedrongen. Die lijfsconstructie is zo gemaakt,
dat de
vrouw niet volledig kan ademen. Het lijf wordt op de plek waar het zou
moeten
uitzetten, strak bij elkaar gehouden, en een gedeelte van de longen
verrot van
binnen en sterft af, omdat het wordt verhinderd om te leven. Het mist
namelijk
het diepe ademen. Dientengevolge kan de vrouw niet lopen en geen
beweging
uitvoeren. Daarom verkommert het lijf onder die constructie, en het
wordt boven
en beneden vreselijk dik, wat de Wasungu mooi vinden. Al in hun
meisjesjaren
wordt het lijf ingesnoerd, omdat men bang is, dat ze te lang gezond
zouden
kunnen blijven. Het beoogde doel wordt ook bereikt: de meeste vrouwen
zijn al
vroeg ziek en aftands, en met een zeker leedvermaak spreken de mannen
dan over
het “zwakke geslacht.”
De vrouwen bewegen
zich
in hun lichaamsconstructies als
rechtoplopende schildpadden. U kunt zich helemaal niet voorstellen, hoe
het
eruit ziet, als een vrouw op straat loopt en de benen onder de strakke
constructie
beweegt. En als ze dan de bewegingsloze massa van haar lijf op een
stoel
schuift, als de ledematen omlaaghangen en het hoofd hulpeloos heen en
weer
beweegt, dan voelt een ontwikkelde neger iets van medelijden met een
dergelijk
mishandeld schepsel.
Vaak denk ik aan de
buigzame figuren van de meisjes uit
Kitara, hoe zij zich over de vruchten van het veld buigen, hoe ze met
dikbuikige lemen kruiken op het hoofd rondlopen en hoe hun lijf de
rusteloze
last van het golvende water bij het lopen tot rust brengt. En ook moet
ik aan
de dans bij het laatste feest van de koningsspeer denken. De meisjes
schreden
in een kring rond de muur van de speren en hielden witte bloesemtakken
hoog
tussen de omhooggeheven armen. De volle maan kleurde hen tot zilveren
en
ebbenhouten figuren. Maar de figuren leefden. Zoals de sappige stengels
van maïs
in de wind, bewogen zij zich op de maat van de trommelslagen en de
fluittonen.
Dat staat mij voor de
geest, als ik hier in dit land de
vriendelijke toon van de fluit hoor. Toch is het vaak, ofschoon de
Wasungu ook
als schepsel ver onder de Wakunti staan, dat zij toch in
één ding
onbegrijpelijk groot zijn: in hun vermogen om met klanken en tonen de
wereld
uit te beelden. Ze wrijven met paardenhaar over gedraaide
schapendarmen, die
over een hol stuk hout zijn uitgespannen; ze blazen op holle fluiten,
die veel
mooier zijn dan onze bamboepijpen, koedoehoorns en schelpen, die ze uit
metaal
hebben nagemaakt en die veel verschillende tonen voortbrengen; ze slaan
op
ijzer, hout en gespannen huiden en brengen een stroom geluiden voort,
die vaak
mijn hart roert van vreugde en verdriet. Dan denk ik dat ik aan het
strand van
Ukerewe zit en de zon achter de Kurwibergen zie ondergaan. De wind
waait vanuit
Ukara, de golven breken, en ibissen vliegen schreeuwend voorbij. Ja,
Mukama, ik
denk dan maar, dat die klanken van de Wasungu uit mijn jeugd stammen!
Maar wie
heeft ze naar de Wasungu gebracht? Wie heeft hen ingegeven om het land,
waarin
Lukanga eerst lief heeft gehad en geleden heeft, met klanken uit te
beelden?
Lukanga spreekt de taal van de Wasungu en zijn denken blijft hem
vreemd; maar
met hun klanken spreken de Wasungu een taal, waarmee hij ze echt
begrijpt.
Ik schrijf u deze
derde
brief, grote Mukama, uit de grote
stad in Duitsland, geschreven met mijn eigen hand,
Uw dienstwillige
Lukanga Mukara
Vierde
Brief
Berlijn,
6
september
1912.
Mukama!
U vraagt waarom de
Wasungu wagens gebruiken en waarom ze
zonder uitzondering heen en weer rijden? Denk maar aan de weg van
Niansa naar
Rubengera. Nu doet een drager daar vier dagen over en een boodschapper
twee. De
Sungu zouden een ijzeren-staven-weg bouwen, zodat die boodschapper
binnen een
dag zou aankomen. Om de weg te bouwen, moeten daar vele duizenden
mensen naartoe
en werken en weer naar huis gaan. Anderen moeten hen voedsel en
brandhout
brengen. De arbeiders krijgen loon. Dat willen ze uitgeven. Daarom moet
er een
Indiër met veel ladingen stoffen, petten, parels en sterke drank
komen. Vervolgens
een Sungu, die erbij staat, schreeuwt en opschrijft. Dan spullen voor
de Sungu.
Dan dragers, die hout en stenen voor een huis voor de spullen van de
Sungu
brengen. Dan een Sungu, die die spullen telt en opschrijft en er
belasting op
heft. Ook voor hem moet een huis worden gebouwd en een tweede voor
iemand die
erop let, dat de geldinnemer het geld niet voor zichzelf houdt. Zo
zitten we al
meteen in een “gezonde economische ontwikkeling”. Dan komt er ook een
Sungu,
die tekeningen van het bedrijf maakt en daar een boek over schrijft. Er
wordt
een huis gebouwd, waarin de wagens worden gerepareerd. In het huis
werken
mensen, die met de wagen worden gehaald. Daarvoor heeft men kolen en
hout
nodig, die men met een wagen haalt en de machine van de wagen wordt met
kolen
gestookt. Men bouwt ook wagens om kolen te halen en haalt kolen om
wagens te
bouwen. Bedrijf, verkeer, rook, lawaai en vooruitgang, dus dat, wat de
Wasungu
cultuur noemen, is dan in volle gang. Ook strijken er kooplieden,
drankverkopers en koopbare meisjes neer, om de arbeiders het geld weer
af te
nemen. Omdat vervolgens door de hebzucht, die in de arbeiders wordt
opgewekt,
en door de drank wanorde ontstaat, moeten bewapende opzichters met de
wagen
worden aangevoerd, en nog andere mannen, die opschrijven, wat voor
soort
wanorde het is en wat voor wanordelijks de arbeiders hebben gedaan.
Maar voor
deze schrijvers moet ook weer een huis worden gebouwd, en om te
voorkomen dat
de arbeiders, die iets wanordelijks hebben gedaan, naar huis gaan,
moeten er
kooien worden gebouwd, waarin men de arbeiders opsluit, voedt en
bewaakt. Maar
dan moeten er weer met de wagen kolen en ijzer worden gehaald om de
tralies van
de kooien te maken. Dan moet er water naar de schrijvers en opzichters
worden
toegeleid en kunstlicht, zodat er ook ‘s nachts, als de natuur het
verbiedt,
kan worden geschreven. Dan moet er een huis worden gebouwd voor de man
die opschrijft,
wie van de schrijvers “baas” heten en een ander huis waarin wordt
uitgedacht
hoeveel elk huis moet betalen, om de opzichters en de schrijvers te
betalen.
Dat allemaal bij elkaar noemen ze de “regering.” Zo ontstaat een grote
stad, een
cultuurcentrum, zoals de Wasungu zeggen, en dat alles alleen maar om
een
boodschapper de weg van Niansa naar Runebgera sneller af te laten
leggen. Die
stad wordt groter en dan moeten er steeds meer wagens rijden. Dan heeft
men
huizen nodig waar die wagens gestald worden en weer mensen, die die
huizen
bouwen, bewaken, betalen en daarover schrijven. Maar omdat de mensen in
zo’n
stad en bij dergelijke bezigheden gek worden, moet men grote huizen
buiten de
stad bouwen, waar men de gekken in opsluit. Daardoor ontstaat opnieuw
werk en
een nieuwe bedrijfstak. Degenen echter, die nog niet helemaal gek zijn,
moeten,
om niet helemaal gek te worden, heel vaak de stad uitgaan, om in de
steppen en
het oerwoud te schreeuwen en bloemen af te rukken, dieren te vermoorden
of weg
te jagen. Daarom rijden weer heel veel wagens vol mensen heen en weer.
Bovendien moeten dan in de steppen en het oerwoud huizen worden
gebouwd, waarin
de halve gekken sterke drank en rookrollen kunnen kopen, en moeten er
bouwsels
met machines worden opgesteld, die kabaal maken, waar de Wasungu van
houden.
Daarbij maken ze veel rook en gieten vloeistof in hun keel en brullen
tegen
elkaar. Dan laten ze afbeeldingen van zichzelf maken met de drinkbakken
in hun
hand. Om te weten waar in de steppe, de drankhuizen liggen, moeten op
de
kruispunten borden worden opgesteld, waar de naam van de
dichtstbijzijnde
drankplaats op staat geschreven en hoever het is. Deze borden moeten
weer
worden bewaakt, zodat niemand ze meeneemt. Daartoe worden bewapende
bewakers
aangesteld. Voor hen worden ook weer huizen gebouwd. Omdat de borden
geld
kosten, wordt de weg door een boom versperd, die alleen wordt
weggehaald, als
de reizigers geld betalen. Dan moet er bij de boom een huis worden
gebouwd,
waarin degene woont, die het geld inzamelt, en in de stad een tweede,
waarin
degene woont, die oppast, dat degene die het geld inzamelt, het niet
zelf
houdt. Bovendien moeten bewakers oppassen, dat niemand, in plaats van
te
betalen, om de boom heengaat, en als er veel halve gekken komen, dat ze
aan de
kant van de weg rijden, waar de rechterhand zit. Opdat de halve gekken
kunnen
lezen, wat op de borden staat en hoever het naar de dichtstbijzijnde
dranktent
is, moeten er huizen worden gebouwd, waarin men kinderen slaat, tot ze
kunnen
tellen en lezen. Dat duurt acht jaar. Ook voor de man moet een huis
worden
gebouwd en een ander voor de man die erop let, wanneer die man zoveel
heeft
geslagen, dat hij “inspecteur” mag heten. Dan nog een voor degene, die
op
degene past die zich “inspecteur” noemen, zonder dat ze daar
toestemming voor
hebben of metalen plaatjes op de tepel dragen, voordat ze de daarbij
behorende
leeftijd hebben bereikt. Opdat men echter weet, wanneer iemand zo oud
is, dat
hij een metalen plaatje mag dragen, moeten de levensjaren worden geteld
en
boeken worden geschreven, waarin men kan zien, op welke dag ieder
afzonderlijk
uit het lijf van zijn moeder is gekomen. Daarom moeten er huizen worden
gebouwd
en moeten er wagens heen en weer rijden, dag en nacht.
Dat is dus de reden,
waarom de Wasungu wagens gebruiken,
wegen met ijzeren staven bouwen en voortdurend heen en weer rijden. Een
ding
ben ik echter nog vergeten te vermelden, en het zal u volstrekt met
afschuw en
verbazing vervullen: het brieven schrijven van de Wasungu. Deze waanzin
kan ik
nauwelijks met woorden benaderen. Er bestaat in Usunga geen huis, waar
niet
dagelijks een boodschapper komt, die brieven brengt. Maar wat schrijven
de
Wasungu? Wat iedereen vanzelf weet: “ik ben hier en drink,” “Ik kom
morgen”,
“de wagen rijdt”, “het eten smaakt”. Of ze sturen plaatjes, waarop ze
een
drinkbak voor zich houden en een gek gezicht trekken. Of ze schrijven
om geld.
Ik wil dus zeggen, dat ze alles wat ze doen en alles wat er gebeurt,
nog een
keer opschrijven. Daarom rijden boodschappers met wagens heen en weer,
en
moeten er huizen worden gebouwd, waarin alle brieven nagekeken worden
en weer
anderen, waar degenen in wonen, die erop moeten letten, wanneer
degenen, die de
brieven nakijken, “baas” mogen worden genoemd. Tot slot moeten de
brieven
worden geteld, hoeveel personen heen en weer rijden en hoeveel jaar de
brievenboodschappers langer leven, dan degenen, die de hele dag kleren
naaien. De
Wasungu geloven, dat ze door al die dingen slimmer en beter worden, en
als er
een nieuw huis wordt gebouwd, komen ze bij elkaar, houden toespraken en
brullen: “Ra! Ra! Ra!”, wat de uiting van de grootste vreugde is.
Daarna gieten
ze vloeistof in hun keel.
De Wasungu hebben ook
de volgende dwaasheid. Vraag je in
Kitara: “Wie is daar?” Dan is het antwoord: “Muntu, een mens!” De
Wasungu
echter delen de mensen in, naar wat ze doen. Ze willen dat ieder mens
maar een
bepaalde dwaasheid verricht, zodat er verschillen ontstaan en ze meer
kunnen
betalen. Karel van de cijfers, nam mij mee naar een huis, waarin een
heleboel
mannen messen slepen. Ze zagen er heel bleek uit. Ik vroeg waar die
mensen hun
akker hadden, waarop mij werd geantwoord, dat ze nooit iets anders
deden dan
messen slijpen; alleen daardoor kon men met zekerheid zeggen, dat
mensen, die
elke dag messen slijpen, al met dertig jaar dood gaan. En zijn ogen
glansden
van plezier, toen hij mij mededeelde, dat de mensen, die elke dag niets
anders
deden, dan de stumpers in de stenen holen stukken lijk, pombe en
rookrollen
brengen, een even korte levensduur hadden. Toen ik, geschrokken over
deze
waanzin, het hoofd schudde, zei Karel, dat ik niet kon twijfelen, want
het was
wetenschappelijk vastgesteld en men hoopte, te zijner tijd nog meer
nauwkeurige
cijfers te krijgen. Toen ik vroeg, waarom die cijfers dan nodig waren,
vertelde
hij mij een krankzinnigheid, die niemand zal geloven. Maar luister: ze
betalen
ieder jaar een geldbedrag; dat wordt door mensen, die daarvoor in een
huis
wonen, verzameld en opgeschreven en na de dood van het familielid
uitbetaald.
Ze geloven dat ze daardoor gelukkiger worden. Maar een messenslijper
betaalt
dus een ander bedrag dan een landbouwer, omdat de cijferkarels weten,
dat ze
een verschillende levensduur hebben. Om die berekening te laten
kloppen, moet
iedereen het bij zijn eigen werk houden en mag nooit iets anders doen.
Vanwege
deze krankzinnigheid moeten er dus weer huizen worden gebouwd, brieven
worden
geschreven en wagens heen en weer worden gestuurd. Hebt u het nu
begrepen?
Nu weet u dus, wat
die
Wasungu eigenlijk doen en waarom ze
aldoor iets doen. Ik zeg u: ze zijn in beweging gezet, om bij elkaar de
rust te
verstoren, om ervoor te zorgen, dat alle mensen doorlopend door elkaar
heen moeten
lopen en niet tot nadenken komen. Maar zij houden zichzelf bezig met
het
aanbrengen van een orde in de onrust, waar ze trots op zijn. Ze
vergeten dan
wel, dat ze zelf eerst die onrust teweeg hebben gebracht, die helemaal
niet
nodig was, en spreken dan over orde.
Nee, mijn beste, u
kunt
het niet begrijpen. U zult aan Kitara
denken. Waarom orde? De bergen zijn er, en in de dalen stromen de
beken. Is het
water gestegen, dan wacht men tot het is weggestroomd. “Amri ya Mungu."
Het
is Gods bevel, mompelt de wandelaar en buigt zich in deemoed. Die orde
is
namelijk tegen Gods gebod, en zijn straf blijft niet uit. Ik zal het
later over
die straf hebben. Die straf is terecht; want het zijn nodeloze zaken en
een
zelfgewilde wanorde, waarin door overbodige mensen orde wordt gebracht.
Ik heb bij iemand
gewoond, die bestuurder op een wagen is,
die op de ijzeren staven rijdt. Ik ging met hem mee en liet mij
vertellen, wat
die afzonderlijke mensen, die in de wagen meerijden, doen. Er reed
iemand mee,
die ijzeren onderdelen voor de wagen bouwt. Daarnaast stond iemand met
een
zwaard en een metalen punt op het hoofd. Hij moest opletten, dat de
wagen op
straat niet een Sungu overrijdt, en opschrijven, als er iemand wordt
gedood. Toen
besteeg nog een spitskop de wagen, wiens werk eruit bestond om erop te
letten,
dat de ander hem aankeek, de benen tegen elkaar sloeg en de armen tegen
zijn
lichaam hield, wat een groet is. Ook zat er een vrouw met een rood
kruis op de
arm. Ze verbindt mensen die overreden worden. Bovendien iemand die
honden
vangt, die geen munt om hun hals dragen. Daarnaast zat een man, die in
een huis
rookrollen laat maken. Dan iemand, die pillen tegen ziekten verkoopt,
door het rookstinken
ontstaan. Dan nog een cijferman, die opschrijft, welke mensen hebben
betaald
voor het geval dat ze worden overreden. Waarom dat is, vertel ik u
later. Dan
iemand die kolen verkoopt, waarmee de wagen wordt aangedreven, en
iemand, die boeken
maakt, waarin wordt opgeschreven, wanneer de wagens rijden. Ieder
afzonderlijk
draagt een tijdaanwijzer op de buik en kijkt daarop, zodra de wagen
stopt en
zodra hij weer verder rijdt. Dan zat er iemand met glazen stukjes voor
het oog.
Zijn werk was het, om te praten over hoe het vroeger was en hoe het nu
is. Hij
vertelde mij, dat dit geordende verkeer een teken was van de
hoogstaande
cultuur van de Wasungu. Er is ooit een tijd geweest, waarop er nog geen
ijzeren
staven op de weg lagen, waar wij langs reden. Destijds had iedereen
gezegd, dat
het niet nodig was, dat hier wagens reden, en er zou toch niemand op
meerijden,
en nu kan men zien, wat voor geweldige hoge vlucht het verkeer door de
bouw van
de wagens heeft doorgemaakt.
Maar ik vond, dat die
dwazen alleen maar onderweg waren, om
de wagens te laten rijden of om de schade weer goed te maken, die door
het heen
en weer rijden van de wagens ontstaat. Als al die dwazen op hun akker
zouden
blijven en bij hun kinderen, dan zouden er geen wagens op ijzeren
staven hoeven
te rijden, en als er geen wagens rijden, zouden ze allemaal akkers
kunnen
hebben en gelukkig kunnen zijn.
Behoedt dus, Kigeri,
uw
mooie land voor de orde van de
Wasungu, voor de wagens en de ijzeren staven en verbiedt, dat er
tijdaanwijzers
het land worden binnengebracht, waardoor de mensen, die er op kijken,
tot
dwaasheden worden gebracht. Mensen hebben geen tijdaanwijzers nodig.
Bij het
ochtendgloren kraait de haan. Overdag is het licht, ’s nachts donker.
’s Morgens
gaat de zon op, ’s middags staat die heel hoog
en ’s avonds gaat hij onder. Het
leven eindigt echter met de dood. Alleen dat hoeft de mens te weten.
Maar waar
wagens rijden, daar moeten tijdaanwijzers zijn en ook weer mensen, die
die
aanwijzers maken en in orde houden, en daaruit ontstaat al dat andere
dwaze,
volstrekt overbodige werk, waardoor alle mensen ziek en vreugdeloos
worden. Ik
vind, dat al die tijddwazen alleen maar door elkaar heen lopen, zodat
de wagens
kunnen rijden, en dat ze rijden om door elkaar heen te lopen en elkaar
te hinderen.
Ik heb over dingen geschreven, die de wijzen uit Kitara vreemd zullen
blijven,
als ze mensen willen blijven,
Uw trouwe Lukanga
groet
u.
Vijfde
Brief
Birkhain, 2
oktober 1912.
Mukama!
Is uw koninklijke
hart
vertoornd, omdat ik nog niet heb
geschreven wat de Wasungu eten?
Grote en machtige
Meester! Gebiedt uw volk twee dagen te
zwijgen, opdat het gruwelijke wat ik u nu ga vertellen, een plaats in
uw denken
moge vinden: de Wasungu zijn zieleneters, zijn kannibalen.
Zij vermengen het
voedsel, dat de aarde verschaft, met delen
van verschillende dieren. Met name varkens, runderen en paarden worden
gedood
en in vele stukken gesneden en gehakt [1]
In een stad met de
naam
Halle worden honden geslacht en
opgegeten. Kattenvlees wordt alleen stiekem door het voedsel gemengd.
Als
iemand het zo aan zou bieden, zou niemand het kopen, en daarom wordt
het met
andere stukken vlees in tonnen verzameld, vervolgens in runderdarmen
gestopt en
verkocht. In andere plaatsen mengen ze het ook met meel en vet en eten
het uit
mosselschelpen. Alleen mensen mogen niet worden geslacht en opgegeten.
Een paar van deze
dingen weet ik niet, omdat ik het zelf heb
gezien, maar omdat iemand van de wijdverspreide stam van de Korongo [2]
mij dat
heeft verteld. Maar het meeste heb ik zelf gezien, en daarom geloof ik,
wat de
Korongo mij heeft verteld.
Ik heb een man
gezien,
die opengesneden kalverlijken, die nog
bloederig waren, van een wagen op zijn schouder nam en ze in een huis
zo
ophing, dat iedereen die voorbij kwam, de lijken moest zien. En er
kwamen
mannen en vrouwen voorbij, die vrolijk waren, hoewel ze het zagen. De
man hing
ook inwendige delen van dieren op en schreef daar cijfers bij, omdat
hij er
geld voor wil hebben, als de mensen het kopen. De lijken worden in
stukken
gescheurd en de afzonderlijke delen worden verkocht, alsof het vruchten
zijn.
Ook het bloed wordt gegeten.
Ik zei: de Wasungu
eten. Dat is niet juist: ze slikken. En
alles, wat ze in hun mond stoppen, is zo toebereid, dat het wordt
geslikt en
niet gegeten wordt. Onder de Wasungu zijn er wel een aantal, die zich
erop
laten voorstaan, dat ze voedsel eten; maar de meeste zijn slikkers.
Hun taal kent twee
woorden voor “voedsel tot zich nemen”:
“Eten” en “vreten”. De slikkers zeggen over zichzelf, dat zij eten en
dat
dieren vreten. Toen ik echter een Sungu liet zien, hoe een rund in de
wei
kruiden zocht en tegen hem zei, dat hij beter als een dier zou kunnen
“vreten”,
werd hij boos.
De Wasungu maken de
varkens, die ze eten, kunstmatig ziek,
zodat ze heel dik worden. Ze dwingen deze dieren om haastig te slikken
en dan uit
te rusten. Zo mesten ze de dieren vet. En net als de varkens, mesten ze
ook
zichzelf vet. Ze bereiken dat op vele manieren. Een Sungu wacht niet
met eten,
tot de honger zich aandient, maar hij gaat erop uit en probeert iets te
vinden,
wat hij graag zou willen. Om zeker te weten, dat hij zich vetmest, gaat
hij op
heel bepaalde tijden, ook zonder honger, zitten om te slikken. En niet
in een
donkere ruimte en niet alleen, maar met andere Wasungu samen. Bij het
slikken
houdt hij de ogen opengesperd. Terwijl hij eten inslikt, kijkt hij op
een
stukje papier, waarop het volgende gerecht staat geschreven. Daardoor
kan hij sneller
slikken. Omdat hij namelijk niet van de honger eet en het gerecht niet
smaakt, eet
hij met zijn ogen, en eet dan steeds het volgende gerecht, en niet, wat
hij net
in zijn mond heeft. Op het briefje staat geen voedsel geschreven, maar
alleen gemengde
en verhitte dingen. Om niet te hoeven kauwen, giet de slikker dranken
in zijn
mond. Alle Wasungu zijn gewend om ook dranken te slikken, in plaats van
op te
zuigen.
Een algemeen gebruikt
middel om het vetmesten van het lichaam
te bevorderen is het volgende: de Wasungu spreken met elkaar af, om met
meerderen gezamenlijk om een tafel heen te zitten en dezelfde spijzen
te
slikken. Hoewel ze geen honger hebben, slagen zij erin om dan heel veel
te
slikken. Er komen dienaren, die proberen om de gulzigheid van de
slikkers te
prikkelen. Ze doen dat, doordat ze de spijzen, waarvan de slikkers de
naam
eerder op het briefje hebben gelezen, achtereenvolgens bij elke slikker
afzonderlijk een korte tijd van achteren voor zijn gezicht te houden,
tot hij
er iets van heeft gepakt. Omdat dus alle slikkers van dezelfde schotel
pakken, geven
zij elkaar het idee, dat het erom gaat de ander iets af te pakken en
zichzelf
van zoveel mogelijk te verzekeren.
Als zij vervolgens
beginnen om er wat van in de mond te
steken, schreeuwen ze tegen elkaar en dwingen zichzelf daardoor om
sneller te
slikken. Bovendien is het de taak van de dienaren om de slikkers van
achteren
doorlopend te dreigen, dat de borden waar de spijzen op liggen
plotseling
kunnen worden weggepakt, en ook daardoor wordt het doel van het
snellere
slikken bereikt. Om de slikkers echt hard te laten schreeuwen, laat men
twaalf
mannen op hoorns blazen en lawaai maken.
Als ik daarentegen
aan
de verzen van Rubega denk, voel ik mij
alsof ik uit de rook in de frisse bries terechtkom. Laat mij hier,
Mukama, de
woorden van de grote priester neerschrijven, zodat ik mij die weer
scherp
herinner. Rubega zegt: “Mens, kijk eens naar een noot. Waarom is de
kern
daarvan bekleed? Opdat de ene mens haar uitkleedt en de ander haar
opeet?! Nee!
Opdat hij, die haar zal eten, de kern zal uitpellen en niet de mond in
een keer
tot boven toe opvult. Gij zult, wanneer gij eet, nog de grond weten,
waaraan de
vrucht ontnomen is. En waart gij daar zelve niet, dan zal toch uw
verlangen
daar vertoeven, terwijl gij eet. Gaat daarom de ruimte in, die voor
deze
spijziging is vervaardigd en blijf daar alleen, totdat uw verlangen
zich heeft
verzadigd. Gij zult echter liggen, terwijl gij eet. Zo hebt gij door de
opening
in het dak de hemel boven u, waaraan geschreven staat, wanneer gij
moogt eten.
Overdag zult gij
namelijk eten, bij het oneindige blauw. Maar
’s nachts staan daar de sterren,
en uw gedachten
hechten zich aan hen. Dan zult gij vasten.”
Mukama, als ik de
Wasungu naast de Wakintu stel, dan weet ik,
welk volk een betere raadgever heeft.
Er zijn onder de
Wasungu velen, die een bijzonder sterke vetmesting
bedrijven, en in elke groep bevindt zich een bepaald deel van
dergelijke
vetgemesten. Maar terwijl zij alles in het werk stellen, om zo snel
mogelijk
ongeschikt te worden, om wapens te dragen en tegen de vijand op te
trekken,
verliezen zij toch geen enkele van hun burgerrechten, en als ik tegen
een
dergelijke op vetmesting ingestelde krijger zeg, dat in Kitara alleen
hij de
volledige rechten van het staatsburgerschap geniet, die bij het
hardlopen iets
presteert, dan slikt hij nog meer.
Zij leven allemaal in
een voortdurende angst, dat zij niet
genoeg gemengds en verhits in hun lijf krijgen. Want over werkelijk
voedsel,
bekommeren zij zich niet, omdat ze bang zijn, dat ze daardoor alleen
maar
daadkrachtig en levenslustig worden en niet dik.
Zij doen veel moeite
om
de dingen die zij in hun potten
gooien te vernietigen en daar de smaak van de zon aan te ontnemen,
waarbij een
fel en langdurig vuur hun belangrijkste hulpmiddel is.
Daarna voegen ze aan
alle spijzen zout toe, en dan zeggen ze:
“Het smaakt.” Zout is bij de Wasungu hetzelfde als “smaak”. En wat naar
zout
smaakt, daarvan slikken ze zoveel in, tot ze er niets meer bij kunnen
doen.
Slechte zaken, die
niemand zou eten, zo gereedmaken, dat ze
kunnen worden geslikt, en het goede zover vernielen, dat het gelijk is
aan het
slechte: dat geldt bij hen als een grote kunst, en met name de vrouwen
houden
zich bijna de hele dag door bezig met deze kunst, die “koken” of
“braden” heet,
al naargelang daarbij water of vet wordt verhit.
Ik heb u in de
laatste
brief verteld over de lichaamsconstructie
van de vrouwen en ik heb gezegd, dat de mannen dat hebben uitgevonden,
om de
vrouwen zwak te maken. Ik geloof ook dat het koken door de mannen is
uitgevonden, om de vrouw de tijd om te denken af te nemen en haar dom
te
houden. En nu gelooft iedereen, dat het voor het leven noodzakelijk is.
Misschien
neemt een hogere macht wraak op de misdaad van de mannen; want zij
dwingt hen
om het gekookte in te slikken, zodat de vrouwen niet ophouden met
koken. En zo
worden ook zij tot traagheid gedoemd, omdat ze worden vetgemest.
Stralende Vorst! Het
wordt uw dienaar hier niet gemakkelijk
gemaakt, om zich menswaardig te voeden. Maar vrees niet: Lukanga voedt
zich ook
onder de hondenvreters met zonnekracht.
En als hij overdag tussen de stenen op de top van een berg ligt en zijn
ogen op
het verre blauw van de hemel laat rusten, dan wekt de geur van een
vrucht een
intense levenslust in hem op.
Alleen op een berg in
het land van de Wasungu: wat een gevoel
is het toch, om als eerste neger op de top van een berg te staan! En
vooral als
uw uitgezondene Lukanga Mukara
Zesde
Brief
Berlijn, 1
november 1912.
Mukama! Vriend der
stieren!
De bergen en dalen
van
Kitara zijn door smalle bergpaden met
elkaar verbonden, waarop runderen, schapen en mensen lopen. Waar de
grond door
bronnen is verweekt, lopen de runderen in hun oude sporen en laten
aardkluiten
als drempels tussen hun stappen liggen. Over de papyrusmoerassen van de
dalbodem leggen uw Wahutu rieten bundels en bij de rivier wacht een
uitgeholde
boomstam, die als vaartuig dient. Bij de strooien hutten onder de
rotsen staan
bananenbomen: het graan wordt bewaard in gevlochten manden, die op
palen staan,
en in een holle kalebas reikt een meisje de reiziger de honingdrank
aan. De
opperhoofden van de vulkanen Karissimbi, Sabinjo en Niragongo groeten
vanaf de
hoogte. De wolken die zich boven hen verzamelen, vergieten hun druppels
over de
dalen, en het water stroomt in lieflijke beekjes naar de vlakte van
Kagara. En
wendt nu uw blik van deze verheven rust en schoonheid naar het land van
de
Wasungu. Het is alsof u op een zwerm termieten zou zitten, die door de
steppenbrand in doodsangst zijn geraakt. De een draagt steentjes,
eieren en
blaadjes hierheen, de ander daarheen. Je kunt niet van wandelaars
praten, ook
niet van voetpaden en van de rust van de dalen. De Wasungu razen door
hun land
heen en weer. Ze maken de wegen vlak, leggen daar gladde ijzeren staven
op en
laten daar wagens overheen razen, waar ze in gaan zitten. U denkt, dat
ze op de
andere plek iets belangrijks hebben te doen.
Ik heb dat nog niet
gemerkt. Ze hebben net als wij, ouders,
broers en zusters en kinderen, die ziek worden of sterven, ze hebben
zorgen en
angsten. Daarom, zeggen ze, razen ze door het land; dus in alle
gevallen,
waarin wij in Kitara lopen of thuis blijven. Maar nog merkwaardiger is
het wat
zij met de spullen uithalen, die ze overal bijeenschrapen. Ook die
stapelen ze
op wagens en laten ze volstrekt zinloos zo snel door het land rijden,
dat men
er niet naast kan lopen. Zinloos zeg ik; want ik heb vaak gezien, dat
wagens
elkaar passeerden, die met dezelfde dingen waren beladen. Overal langs
die
ijzeren-staven-straten staan mannen, die oppassen, op fluiten blazen en
wenken,
bellen en op hun tijdaanwijzer kijken, die staat opgesteld of die ze
aan een
ketting aan het lijf dragen. Deze dwaasheid noemen ze verkeer en ze
beschouwen
die flauwekul als dermate belangrijk, dat ze ’s nachts niet slapen,
maar
fakkels aansteken en met gekleurde lichten
zwaaien. De mensen die in de wagens rijden hebben boeken, waarin staat
geschreven, hoe snel de wagens heen en weer razen. Zij kijken steeds in
die
boeken en op de tijdaanwijzers in hun jaszakken. Zelfs de oudjes
verheugen zich
kinderlijk over deze dwaasheden.
Ik heb, om de lol in
die flauwekul te leren kennen, een dwaas
gevolgd, die zich tot taak had gesteld om op te schrijven, hoeveel
mensen,
dieren, stenen, kalebassen, en bomen op de wagen heen en weer werden
gestuurd.
Hij had een boek bij zich, waarin hij mij liet zien, dat het elk jaar
meer
werd. Ik vroeg hem, wanneer het dan genoeg was? Dat wist hij niet. Ik
heb, o
grote koning, de dwaasheid van deze Wasungu nu duidelijker begrepen en
ik zal u
van mijn wijsheid schenken, hoe gering die ook mag zijn. Ik zeg u
één ding:
hoedt uw volk voor deze moordenaars en rovers. Mijn tranen stromen, nu
ik dat
schrijf: want helaas kunt u noch uw volk, noch uw stille land tegen
wezens
beschermen, die krankzinnig zijn en niet zien, dat ze met vuur de
strooien
daken van de hutten willen zegenen. Ze zien niet dat ze in een
kringetje
ronddraaien, dat ze niets anders doen dan, wat op of in de aarde is,
door
elkaar gooien en dat ze de schoonheid en rijkdom van de aarde
vernietigen. Daarbij
wedijveren ze met elkaar. Niet alleen de afzonderlijke mensen, maar ook
mensen
uit hele streken en volkeren wedijveren, wie van hen meer onzinnigs
doet, meer
rijkdommen vernietigt, en meer heen en weer raast. Dat noemen zij
leven. Ik
noem het dood. Zij noemen het gezond, ik zie dat het een ziekte is. De
dwaas
waar ik mee samen reisde, heette Karel. Hij was er trots op dat hij mij
zijn
dwaasheid kon laten zien. Dus luister, hoe hij het deed: zijn vader had
hem een
kast met papier nagelaten.
Door het bezit van
dat
papier werd hij, omdat hij op de
juiste plaats en op het juiste moment heel echte dwazen iets liet
schrijven,
baas over een dal, waar boeren woonden. Daar nu bevond zich een plaats,
waar
Karel steeds naartoe moest rijden, of als hij daar niet naartoe reed,
dan reed
hij, omdat het was opgeschreven, ergens anders naartoe, keek in het
cijferboek,
wanneer de wagens wegraasden en keek op de tijdaanwijzer. Maar de vader
van Karel
was in het bezit van die papieren, die zoveel macht hadden, gekomen,
omdat hij erin
was geslaagd, om van duizend mensen het akkerland en ook het graan af
te
pakken, zodat ze arm waren en flauwekul voor hem moesten doen om niet
te
verhongeren. Zo waren de papieren tot stand gekomen, die feitelijk de
macht
hadden om andere dwazen te laten geloven, dat Karel de baas over het
dal was
geworden. In het dal had Karel veel mensen bij elkaar gebracht, die
iets deden,
wat hij arbeid noemde. Ze renden heen en weer. Een aantal verbeterden
de loop
van een rivier, die God verkeerd had aangelegd. Hij kronkelde, net als
de
Nyawarongo, door de vlakte. Nu werd hij recht gemaakt. Anderen groeven
een berg
af, die onbruikbaar was, zoals Karel zei, en wierpen die in een moeras,
waarin
tot dan toe alleen maar reigers woonden. Een grote beek was te snel
naar het
dal gestroomd. Karel beval, dat dat niet mocht en liet er aarde voor
storten en
gedroeg zich als een krankzinnige van vreugde, omdat het water niet
over de
aarde wal heen kon stromen, maar zich verzamelde en omdat er raderen
draaiden,
waar het overstromende water op viel, wat ieder kind kan bedenken, als
het
onder een waterval baadt.
Deze beweging
gebruikte
Karel om van het broodkoren, dat hij
overal verzamelde, iets te laten afkrassen. De mensen kregen het
slechte wat
overbleef. Karel zorgde ervoor, dat de mensen alleen dat slechte konden
kopen
een daar meer geld voor moesten geven dan voor het koren. Om dat te
bereiken
rijdt hij met de wagen heen en weer. Hij wil echter dat de mensen door
het
slechter geworden graan ziek en zwak worden, want hij bezit papieren
die verklaren,
dat hij rijker wordt, als de mensen een versterkend middel kopen, dat
zijn
broer laat mengen. Een andere broer van hem is medicijnman en krijgt
van de
arme mensen geld, omdat zij bij hem mogen klagen, hoe zwak ze zijn, en
omdat
hij voor hen op een stuk papier opschrijft, hoe dat versterkend middel
heet,
dat ze moeten kopen. Bovendien kopen de mensen dagelijks een papier,
waarin Karel
laat schrijven, dat het versterkende middel goed is. Ik vroeg, wat er
dan in
dat middel zat? Daarop antwoordde Karel mij, dat niemand dat mocht
weten. Ik
zie het dus als volgt: Karel en zijn broer rijden met de wagen zoveel
rond, om
ervoor te zorgen, dat de mensen arm en dom blijven en vrijwillig hun
slaaf
worden. Ze zorgen ervoor, dat de slaven niet zonder geld kunnen leven,
maar dat
ze niet teveel geld krijgen en nooit met werken ophouden en met het
geld
datgene kopen, wat hen arm en ziek houdt en hen rijk maakt. De kinderen
van
deze slaven leren lezen. Maar dat is hun ongeluk: want Karel zorgt
ervoor, dat
ze alleen maar lezen, wat ertoe dient om hem rijker en hen armer te
maken. Als
ze niet zouden kunnen lezen, zouden ze de naam van het versterkende
middel en
datgene wat Karel erover laat schrijven niet weten, maar merken (wat
iedere hutu
weet), dat iemand die geroosterd graan eet, gezond blijft. Maar omdat
het volk
zo is, dat het niet meer kijkt, maar leest, en omdat het het verschil
tussen
weinig rijken en veel armen als iets groots en bewonderenswaardig
beschouwt,
noemt het zich een cultuurvolk.
Wat gebeurt er,
vraagt
u, met het geld, als Karel en zijn
broer steeds rijker worden,? Dan bouwen ze overbodige huizen en houden
daarmee hun
slaven bezig. Of ze schenken geld, zodat de zieken, de bedelaars en de
gekken
niet tegen hen in opstand komen, maar in mooie huizen worden
opgesloten…Maar
wanneer mettertijd teveel slaven zich uit hun armoe en honger zullen
verheffen,
wat niet helemaal te vermijden is, dan zorgen zij ervoor, dat grote
vernietigingswerktuigen alles wat er is gebouwd, vernietigen en het
land in
nood brengen. Ook daarbij worden de weinigen rijker en de velen armer.
De
grootste vreugde voor de Wasungu is echter het tellen. Dat hebt u al
begrepen. Ze
zijn echt van mening, dat tien hutten tien hutten zijn, en kunnen zich
niet
voorstellen, dat wij het in Kitara als ongepast beschouwen, om te
tellen,
hoeveel hutten er staan of hoeveel manden matama ( =negergierst) worden
geoogst. Ik herinner u aan het gesprek, dat u met de Sungu hebt gehad,
die u
bezocht. De Sungu schreef in zijn boek en zei: “Hier staan dus tien
hutten.” U
zei toen heel geschrokken: “Tien? Nee, meneer, een paar; misschien
veel.” Toen
liep de Sungu naar buiten en wees met zijn vinger naar elke hut en zei
hardop:
“Een, twee, drie…” Toen de omstanders dat hoorden, raakte ze ontzet,
liepen weg
en weeklaagden en offerden in hun hutten. Dat bracht de dwaas gelukkig
ervan af
om tot het einde te tellen. Geschrokken zei hij tegen u: “Zijn het er
dan geen
tien?” U verbleekte, vroeg hem op het krukje te gaan zitten, dat uit
één stuk
hout was gesneden en zei: “Een hut is toch om in te wonen; kan men van
buiten
zien, of hij leeg staat? Of als er mensen in wonen, of daar het geluk
met hen woont?
Ook is het eigenlijk
geen hut; want de Wahutu hebben palen
uit het Kabegewoud gehaald en droog gras uit de bergen, waar geen
runderen
weiden, en als het daar staat noemen ze dat een hut. Maar die kan
afbranden, en
dan is hij er niet meer, of de bewoner wordt op de berg bij de hut door
een
rund verwond en kan niet naar huis, dan is het voor hem geen hut.
Daarom is het
een vergissing als u de hutten telt, en de straf van Riangombe zal niet
uitblijven,
als u dat doet.” Toen zei de Sungu, terwijl hij hoogmoedig glimlachte:
“U bent
nu eenmaal onbeschaafd en bijgelovig; ik zal eens missionarissen naar u
toe
sturen, die u het juiste geloof en het tellen bij zullen brengen, zodat
jullie
een nuttig cultuurvolk worden en aan de wereldmarkt kunnen deelnemen;
pas maar
op, het zal er hier spoedig anders uitzien; de naakte mensen zullen
kleren
kunnen kopen, iedereen krijgt zijn cementen huis met een huisnummer
erop en het
geheel een kerk en een gevangenis. De kosten daarvoor moeten jullie
opbrengen
anders worden jullie opgesloten. Dan komt er orde en cultuur in deze
streek, en
de onzin wordt jullie uit de hoofden gejaagd, zonodig met geweld.” Dat
zei hij,
maar niet iedereen begreep hem.
Ik moet aan dat
gesprek
denken, als ik nu zie, wat er met de
Wasungu gebeurt. Het was voor Kitara een geluk, dat eerst die ene Sungu
door
een olifant bij de Russissi werd gedood, zodat hij in het cijfer
terecht kwam
dat telt:
Op de jacht
verongelukt
1910
A.
Europeaan a) evangelisch 3 b) katholiek 1 c) Dissident
-
B.
Inboorling a) Christen, evangelisch 8; katholiek 10 b) Heiden 13
Hoe onzinnig het
tellen
is, en dat het de straf van de
Godheid aantrekt, hebben de Wasungu nu ervaren. Ze telden de schepen,
die op de
zee voeren, de mensen die werden geboren, de kleren, die werden
gesponnen, het
koren dat werd geoogst en hoeveel met schepen en wagens heen en weer
werd
gebracht. Daarom kwam er een oorlog en nam hen alle schepen af, doodde
de
mensen, verhinderde dat er kleren werden gemaakt en verminderde de
oogst. Denkt
u nu, dat hen dat tot bezinning bracht? Nee! Wat doen ze? Ze tellen en
schrijven op, hoeveel schepen zinken, hoelang de oorlog duurt, hoeveel
mensen
er worden gedood, hoeveel er van angst krankzinnig worden, en hoeveel
van hen
weer in de ene God geloofden, en hoeveel in de andere God. Zij noteren
dat in
mooie boeken, en degenen, die het rangschikken, worden, als het klaar
is, “professor”
genoemd, men maakt portretten van hen en zegt dat ze beroemd zijn. Er
bestaat
dus voor de Wasungu eigenlijk geen ongeluk; want ook het ongeluk en de
dood
weten ze te tellen, en dan zijn ze gelukkig.
Het is ook de vreugde
in het tellen, die hen belemmert om
ervoor te zorgen, dat het ongeluk bij arme volkeren afneemt. Ze weten
dat bedwelmende
dranken schadelijk voor de mens zijn. Het doet hen echter plezier, om
elk jaar
te kunnen tellen, hoeveel mensen door de verslaving dood gaan, hoeveel
kinderen
door verslaafde ouders zonder verstand worden geboren, hoeveel misdaad
de
pompedrank veroorzaakt, hoeveel van de verschillende dranken nodig
waren, om
een zekere hoeveelheid doodslag, verarming en boosheid voort te
brengen, en
hoeveel mensen daarom in de gevangenis worden opgesloten. Het komt
voor, dat ze
in grote gebouwen bij elkaar komen en daarover praten, als ware het een
feest,
en iedereen verheugt zich over de mooie boeken met de cijfers van
moord,
doodslag, hoererij en ziekte. Tot slot bewijzen ze eer aan de
“professor” en
prijzen elkaar over en weer. Dan gaan ze weg en gieten zelf bedwelmende
dranken
in hun keel en spreken over de hoeveelheid, kleur en temperatuur van de
drank
en hoeveel men naar binnen kan gieten.
De Wasungu komen
bijzonder grappig naar voren, als ze kunnen
tellen, hoe snel de mensen sterven, wanneer men bij hen voeding
verslechterd,
velen in een hut opsluit of ze dwingt ononderbroken hetzelfde te doen.
Zo liet
Karel mij in een mooi boek met cijfers zien, wat voor de geleerden een
grote
geslaagde grap was. Vijftig jaar geleden hadden alle Wasungu nog op
hoge
leeftijd heel mooie tanden. Dat heb ik zelf gezien, toen de schedel van
een
oude man uit een graf werd opgehaald, dat weg moest, omdat de weg niet
recht
genoeg was, wat die bij de Wasungu wel moet zijn. Vroeger stonden dus,
net als
nu, knollen met zoet sap op de akkers, en de mensen kookten dat sap in.
Dan zag
het er bruin uit en vloeide langzaam als honing. Toen deden mensen van
het slag
van Karel moeite om het sap met machines, die alleen zij maar mochten
hebben,
te veranderen. Ze maakten daar witte, vaste korrels uit, die er als
kwartszand
uitzien. Nu werd er een groot kabaal gemaakt, omdat het was gelukt en
meerdere
Karels mochten zich “professor” noemen en een glanzend stuk messing op
de tepel
bevestigen, zodat de mensen wel moesten geloven, dat wat er was
uitgevonden,
iets veel beters was en hen gelukkiger maakte, als ze het kochten. Zo
slaagden
de Karels erin om het volk af te leren om datgene te eten, wat
kosteloos op de
akkers groeit, en ervoor te zorgen dat het de knollen bij een groot
huis
afleverde, waar vuur, stoom, rook en verschillende soorten kabaal en
stank
werden gemaakt, waar tandwielen draaiden en aangeplakt stond: “Verboden
Toegang”.
De hele zaak werd ’s avonds mooi verlicht en in een kleinere ruimte
werd veel
papier beschreven. Meerdere Karels werden heel dik, droegen mooie
kleren en
hadden steeds dikke rookrollen in de mond, veel andere mensen werden
bleek en
zagen er smerig uit. De witte korrels werden echter duur verkocht.
Nu werden er nieuwe
cijfer-Karels aangesteld, die op moesten
schrijven, hoe het domme volk elk jaar meer witte korrels at, hoeveel
tanden er
verrotten, hoeveel tandentrekkers aan het werk werden gehouden en
hoeveel
sneller de mensen nu stierven. Als dan een aantal mensen zeiden: wij
willen die
witte korrels niet meer bestellen, maar de mensen weer knollensap laten
eten,
dan zeiden de tandenlappers: “waarom zijn wij er dan; wij moeten toch
iets te
doen hebben.”En ze lieten zien, hoe bekwaam ze waren in het tanden met
goud te
vullen en hele gebitten uit goud en steen te maken. En de Karels, die
de witte
korrels laten maken en daardoor rijker worden, lieten schrijven, dat de
witte
troep gezond was; want volgens onderzoek van een knappe kop, met
meerdere
stukjes metaal op de tepel, ging het in de mensenbuik meteen over in
het bloed.
Dat geloven alle Wasungu, die geen titel hebben, niets geheims mogen
hebben en
geen stukjes metaal op de borst dragen. Zoals met de zoete knollen doen
ze het
nu ook met het graan. Ze maken daar een heel stoffig, slap meel, uit en
geven
de levensstoffen, die er afgekrabd zijn aan de dieren. Daardoor
bereiken ze dat
de mensen zwak en ziek worden en naar de medicijnman gaan. Die schrijft
op,
hoeveel mensen bij hem komen, hoeveel aan de ene en hoeveel aan de
andere
ziekte lijden en stuurt het cijfer naar een cijferaar, die daar blij
mee is en
alle cijfers optelt. Om meer te kunnen tellen, hangen ze ook nog het
volgende
bijgeloof aan: de wonderpriesters nemen bloederige etter van de buik
van zieke
kalveren, die worden gedood, snijden de kleine kinderen met een heilig
mes in
het vlees en smeren daar van die etter in. Dat is een Godsoordeel. Ze
tellen
dan hoeveel kinderen daardoor ziek worden en hoeveel er dood gaan. Dat
Godsoordeel oefenen de priesters als hun heilig recht uit, ook bij die
vreemdeling, die de grens van het Sunguland overschrijdt, en ik ben
daar als
door een wonder aan ontkomen.
De Wasungu zijn door
hun cijferwaanzin zwaar gestraft. Er zijn
geweldige problemen ontstaan en alles is veranderd. Ze zeggen dat graan
een
zeer bepaald aantal geldstukken kost.
Hun euveldaad ging
zover, dat zij zich aanmatigden, om een
zeer bepaalde hoeveelheid voor dit zeer bepaalde aantal te verhandelen.
Toen
kwam daar een kwade macht tussen en zorgde ervoor, dat het graan
verdween en
dat het geld een andere waarde kreeg. Toen werden zelfs de buiken van
de
cijferaars kleiner van de honger – maar denk nou niet, dat ze waren
opgehouden
met tellen. Alles bij elkaar noemen ze dat een wetenschap. Het is dus
een
wetenschap van heen-en-weer-nodeloze zaken, waarmee die dwazen het volk
dom
maken en in armoede houden.
In verdriet en smart
en
deemoed, uw
Nummer.: 1 Naam:
Mukara. Voornaam: Lukanga. Dag van
aanmelding: 4-4-12 Godsdienst: Heiden.
Geboren: onbek.
Geboorteplaats Ukara. Nationaliteit: Kitara. Inenting: Pos.
Zevende
Brief
Berlijn, 1
februari 1913.
Hoe de Duitsers de
verjaardag van hun koning vieren. [3]
O Mukama, jij rank,
rijzig licht!
U bent de grootste
der
koningen. Maar ook de koning van
Wasungu is trots en machtig. Ontelbaar zijn zijn krijgers, blinkend
zijn hun
wapens, groot is hun moed. Zij houden van hun koning en eren hem, omdat
hij
zijn volk edelmoedig gezind is. Uw knecht Lukanga kan u iets groots en
schoons
berichten, hoe duizenden jonge mannen komen aanlopen en weten hoe ze
wapens
moeten dragen. Maar uw oog zag, ook als het dof was, dat ene en kende
de
betekenis ervan, ook als er stof op lag: de Wasungu eren hun koning op
de ene
manier, de Wakintu u op een andere manier. Hoe machtig de koning van de
Wasungu
ook is, de minderwaardige gebruiken van zijn volk kan hij niet
verhinderen. En
weet: de Wakinti vieren uw verjaardag door te vasten; de Wasungu de
geboortedag
van hun koning door veel in hun buik te stoppen. Uw volk wordt uit
vreugde, dat
u leeft, zuiverder en sterker; de Wasungu echter proberen om de
lompheid van
hun zeden ter ere van hun koning tot het uiterste op te voeren. Ze
begrijpen
hem niet, als hij zegt: “Onthoudt jullie van het naar binnen gieten,
wat jullie
onbekwaam maakt om het vaderland te dienen.”
De Wakintu houdt van
het al eeuwig bestaande gebruik, dat op
de dagen, die aan u toebehoren, iedereen op zijn eigen berg moet
doorbrengen,
zolang de zon langs de hemel wentelt, en alleen ’s nachts zwijgend zijn
eigen
hut mag opzoeken; de Wasungu komen voor
het feest van hun koning in besloten ruimten bij elkaar, en wat zij
daar doen,
zal ik voor u beschrijven, want ik heb het gezien.
Het is maar
één dag, die`zij aan de koning schenken. Dan gaan
ze naar zo’n ruimte toe en komen daar met vele anderen bij elkaar, om
spijzen
en vloeistoffen in hun lijf te stoppen. Op die dag zitten ze aan lange
tafels en
slikken op de manier, zoals ik u dat in de voorlaatste brief heb
beschreven. Ze
gieten ook veel vloeistof in hun maag en drinken als mensen, die een
lange weg
in de brandende zon hebben afgelegd en dorst hebben. Het wordt voor
iemand als
schandalig beschouwd, om vloeistof in afzonderlijke`slokken in te nemen
en met
speeksel te vermengen, en hoe meer iemand gelijkmatig en zonder
onderbreken
naar binnen slikt, des te meer wordt hij door de anderen geacht.
Het drinken is zo
belangrijk, dat op deze dag nergens anders
over gesproken mag worden, dan over de soort, kleur, hoeveelheid en
temperatuur
van de drank, en over de manier waarop men het naar binnen giet, en hoe
men het
weer uitspuugt. Er mag maar één keer over de koning
worden gesproken. Dan staat
de dikste man op, noemt de naam van de koning, en allen roepen: “Ra!
Ra! Ra!”
Daarbij staan ze en houden een bak met pombe tussen de beiden tepels,
en als
het laatste “ra” is geroepen, gieten ze de hele inhoud van de bak in
hun
keelopening, ademen diep uit en gaan weer zitten.
Daarna zijn ze
allemaal
rustig, tot de bakken weer zijn
volgeschonken, en dan praten ze weer over de soort, kleur, hoeveelheid
en
temperatuur van de drank en hoe men het naar binnen giet.
Daarbij vallen vooral
de mannen op, die ooit aan een rivier
hebben gewoond, die de Moezel heet. Die mogen alleen maar uit speciaal
gevormde
bakken [4] drinken en moeten, voor ze naar binnen gaan gieten, de
drinkbakken
eerst driemaal voor de mond ronddraaien.
Zo mogen daarbij niet
lachen, maar moeten heel ernstig
kijken. Zij genieten bij de drinkers het grootste aanzien en doen
moeite om
door blauwe aderen op de neus en harde aderen, die als wormen bij de
slapen
tevoorschijn komen, voor iedereen herkenbaar te zijn. Het opperhoofd
van het
feest is herkenbaar aan zijn dikke figuur en aan veel sierlittekens,
die hij in
zijn gezicht heeft. Op zijn neus draagt hij een gouden draad met twee
stukken
glas, waar hij doorheen moet kijken. De versiering van de sierlittekens
is niet
aan iedereen toegestaan, en het geldt als een voorrecht voor het soort
mannen,
die niet werken, maar veel drinken, en die, als ze ruwe streken
uithalen, niet
worden bestraft.
De Wasungu zijn zeer
onhandig in het snijden van de littekens
of ze hebben geen gevoel voor schoonheid; want de sneeën lopen
kris kras over
het gezicht, en vaak wordt er een oor of de neus meedoorgesneden. Ze
vinden die
sierlittekens echter mooi; want ze dragen die alleen maar op de
onbedekte
plekken van het lichaam en laten andere vrij, hoewel daar meer vlees en
een
grotere huidoppervlakte aanwezig is. De kunst om sneeën in de
lippen,
neusvleugels en oren open te houden, is onbekend. Alleen vrouwen boren
gaten in
hun oren en hangen daar metaal en stenen in.
Terwijl ze zitten en
gemengds en verhits slikken, vertonen ze
de volgende gewoonte: De een roept naar de ander, houdt een gevulde bak
naar
hem toe en zegt: “naar de buik” [5] of “proost”. Vervolgens giet hij
het naar
binnen. De toegeroepene grijpt eveneens een gevulde bak, springt op en
giet het
in zijn keel. Dan houdt hij de lege bak tussen de tepels, kijkt degene,
die hem
heeft toegeroepen, met starre blik aan, gaat weer zitten en praat met
degenen,
die naast hem zitten over kleur, hoeveelheid, en soorten drank en
hoeveel men
naar binnen kan gieten.
Als ze vet van het
onderlijf van een gedood varken slikken,
brengen de dienaren voor elke slikker een kleine bak met scherpe pombe.
Dan
zijn ze allemaal stil en heffen de bak in de hoogte [6]. De dikste
fluit, ze
stoten allemaal een gefluit uit en gieten de vloeistof snel in hun
keel.
Daarna praten ze
opnieuw over hoeveelheid, kleur en
temperatuur van de drank en hoeveel men naar binnen kan gieten.
Als ze heel veel
gemengds en verhits hebben geslikt en veel
van het verdovende middel naar binnen hebben gegoten, laten ze echt
voedsel
brengen: dienaren brengen schalen met vruchten. Maar niemand pakt
daarvan.
Daarna worden er kleine waterbekkens gebracht, om de vingers te wassen.
Nu
oefenen zij een volgend gebruik uit: iemand pakt zijn drinkbak, gaat
naar
iemand anders toe, dwingt hem om op te staan en zijn drinkbak voor zich
te
houden, en zegt een van de volgende zinnen: “ik ken jouw broer” of “hoe
gaat
het met je vader?” of “ik heb je zuster gezien.” En dan zegt hij
“proost”,
beiden stoten hun drinkbakken tegen elkaar, zodat de randen, waar
speeksel aan
zit, tegen elkaar komen, drinken hun bak leeg, houden die ter hoogte
van de
neus voor zich en kijken elkaar strak aan. Dan gaan ze naar hun
zitplaatsen
terug en praten weer met degenen, die bij hen zitten over kleur,
temperatuur en
soort drank en hoeveel men naar binnen giet.
Dan begint het
rookmaken. Ze laten opgerolde, droge bladeren
van een zeldzame plant komen, wrijven vuur en steken de rollen aan het
eind
aan. Het andere eind houden ze met de tanden vast, sluiten de lippen en
zuigen,
zodat de rook de mond ingaat. Uit de mond blazen ze de rook in de
lucht, en dan
is weldra de hele ruimt gevuld met rook, die ze hebben uitgeblazen.
Vanaf dat moment
praten
ze allemaal over de soorten
rookrollen, hoeveel rookrollen ieder afzonderlijk dagelijks verbrandt,
of hij
aan kleine of grote rookrollen zuigt en hoeveel een enkele rookrol
kost.
Daarbij trekken ze allemaal heel ernstige gezichten. Nu laten ze bakken
met een
bruine, stinkende vloeistof [7] neerzetten en spreken ze luidruchtig
over het
witte schuim, dat op de vloeistof drijft en dat ze “de schuimkraag”
noemen. “De
schuimkraag komt je tegemoet” of “proost schuimkraag”.
Als het rookmaken is
begonnen, gaan ze een voor een naar
buiten en komen na korte tijd weer naar binnen. Nu wordt er luid
geschreeuw,
waarmee de dank voor het geslaagde feest wordt uitgedrukt.
Bijzonder geliefd is
het volgende: twee mannen schreeuwen
tegen elkaar en zeggen: “Ga mee naar buiten.” Dan staan ze op, nemen
hun
rookrollen mee en komen na enige tijd weer met rode hoofden naar binnen.
Terwijl ze naar
buiten
gaan en weer naar binnen komen, zijn
alle anderen stil. Deze stilte heet het afgangspel, en de ruimte waarin
het
wordt gespeeld, heet de ruimte van eer. [8]
.
Het spel zelf gaat
zo:
de een zegt tegen de ander: “Jij hebt
naar mij gekeken”, daarop zegt de andere: “Jij, varken.” Dan nemen ze
de
rookrollen in de linkerhand en slaan elkaar met de rechterhand in het
gezicht.
Daarna stoppen ze rookrollen weer in de mond, grijpen in een zak van
hun
kostuum en geven elkaar een klein stuk karton. Daarmee is het spel
voorbij en
gaan ze weer naar binnen om dranken naar binnen te gieten.
Dat spel is bij de
Wasungu van grote betekenis. Ze weten
namelijk, dat door hun grove gewoonten het goede in hen wordt gedood.
Ze willen
echter geen afstand van hun gewoonten doen en kunnen zichzelf niet
verbeteren.
Daarom roepen zij een bijgeloof in het leven en verrichten een
zichtbare
handeling, die weliswaar grof is, maar toch door iedereen wordt
aanvaard, omdat
ze niets beters weten.
Het bijgeloof is het
volgende: ze bedenken, dat er een
vijandige macht bestaat, die het goede in hen heeft beschadigd. Omdat
ze echter
niet willen accepteren, dat het goede in hen echt aangetast is, nemen
ze aan,
dat er tussen het goede en de vijandige macht nog iets bestaat. En dat
noemen
ze met één woord “eer”. Ze zeggen dus nooit, dat ze
slecht zijn, maar zeggen
dat hun “eer” is aangetast, en zoals alle minderwaardige volkeren met
minderwaardige gewoonten, zoeken ze een vijand, slaan of slachten die
af en
geloven, dat ze daardoor weer goed worden.
Ja, Mukama, u zult
zich
dat nauwelijks kunnen voorstellen,
omdat u slechts door zelfbewuste en ontwikkelde mannen wordt omringd,
maar bij
de Wasungu zijn er velen, die over hun slechte daden voortdurend berouw
hebben
en daarom andere mensen willen slaan. Ze geloven, dat een mens door een
grove
houding ten opzichte van anderen, zijn eigen fouten weer kan goedmaken.
Daaruit
is een bepaald voorrecht voortgekomen, waar degenen die rijk en machtig
zijn,
aanspraak op maken. Zij zeggen, dat alleen zij over “eer” beschikken en
daarom
anderen mogen slaan en doden. Wie echter met de kracht van zijn armen
werkt,
zoals de natuur dat beveelt, die heeft geen “eer” nodig, omdat hij
immers zonder
dat trots en tevreden kan zijn.
Omdat er onder de
Wasungu velen zijn, die niet met hun handen
werken en nooit een vrucht eten, waar ze de welwillende aarde zelf om
hebben
gevraagd, komt het, dat er in elk huis, waarin vele Wasungu samenkomen,
een
aparte ereruimte aanwezig is. Deze ruimte is voor alle ongelukkigen
bestemd,
die niet met zichzelf tevreden mogen zijn, om hun “eer” weer goed te
maken. De
ruimte is met stenen platen bedekt, spiegelende glazen schijven hangen
aan de
muren, waaronder water door mooie bekkens stroomt. Opdat er altijd
getuigen
aanwezig zijn, die aan het slaan om de eer niet deelnemen, dient de
ruimte ook
voor andere doeleinden, die ik u niet kan beschrijven. Dat is dus de
ruimte,
waarin het spel wordt gespeeld, dat het afgangsspel heet.
Bovendien is er nog
iets anders zeer geliefd: het dikke
opperhoofd beveelt iedereen om met de drinkbakken op de tafel te slaan.
Daarna
moeten ze allemaal de inhoud van hun drinkbakken in één
keer in hun keel naar
binnen gieten. Ze noemen dat spel de “hagedis” [9]. Uw knecht Lukanga
heeft
nooit iets minderwaardigers, dan dat spel gezien.
Daarna begint het
uitspugen van de naar binnen gegoten
vloeistoffen. Daartoe staat er in de ruimte van de eer een aparte,
prachtig vervaardigde
en uitgeholde offersteen, waar de spugers afzonderlijk naar toelopen.
Ze houden
zich, terwijl ze spugen, vast aan twee handgrepen, die boven de steen
zijn
bevestigd.
Daarmee heeft het
feest
het hoogtepunt bereikt. Ieder zegt
van de ander, dat hij teveel naar binnen heeft gegoten, en dat hij
daardoor
zijn verstand, zoals het normaal is, heeft vernietigd, maar hijzelf
heeft het
juist goed gedaan, omdat hij weet, wanneer hij genoeg heeft. Zo
ontstaat er
opnieuw een zeer luidruchtig gesprek, en een aantal praten ook over de
lichaamsvormen van vrouwen en paarden.
Maar het opperhoofd
leidt nog steeds het feest. Zijn
geschreeuw wordt gehoord, omdat hij met de afgebroken poot van een
stoel op de
tafel slaat. Niemand kan door de rook heenkijken.
Nu laat het
opperhoofd
alle leeggedronken bakken neerzetten
en met de bakken, die nog niet zijn leeggegoten, naar de lege gooien.
Dan laat hij zich een
heilig boek brengen, gaat onder de
tafel zitten en begint hardop te huilen. [10]
Dat is het teken,
waarop iedereen gaat huilen, waarbij ze
elkaar omarmen en hun lippen tegen elkaar aandrukken. Maar met de
gloeiende
rookrollen branden ze gaten in hun kleren. Dat is het einde van het
feest. Nu
komen de dienaren en dragen degenen, die zich van vreugde dood houden,
de
wagens in, waarmee ze naar hun hutten worden gebracht.
Zo vieren de Wasungu
de
dag van de koning. Ze maken het gebod
van de nuchterheid, dat hij hen gaf, belachelijk. Ze hebben zich
ongeschikt
gemaakt om wapens te dragen, en voor hun vijanden is er geen dag die
gunstiger
is voor de aanval, en geen dag berokkent hun kracht meer schade dan
deze. Ik
alle steden gaat het op dezelfde manier. Op deze dag mag niemand zijn
verstand
bewaren. Het zou hem de haat en de vervolging van zijn medeburgers
opleveren.
Welwillende Meester,
kijk, dat heeft uw dienaar Lukanga
Mukara mogen zien.
Achtste
Brief
Berlijn,
15
juli
1913.
Mukama!
Het boek Job
schildert
de Leviathan in het 41e
hoofdstuk: “Uit zijn muil komen fakkels, vuurvonken schieten eruit. Uit
zijn
neusgaten komt een damp, als uit een kokende en dampende pot. Zijn hart
is zo
hart als steen.” (verkalkt!)
Mukama!
In de brief van
Ibrahimu lees ik, dat u naar de gewoonte van
het rookstinken vraagt. Hij schrijft: “De koning liet de gedroogde
stinkbladeren, die u had gezonden, naar een lege hut brengen en
aansteken. Het
hele hof was aanwezig; allemaal ademen ze de rook in en hoestten. Het
is
onbegrijpelijk hoe de mensen de rook kunnen verdragen. Er was daar
echter een
man uit Karagwe, die de bladeren kende; hij zei, dat men ze in de hand
moest
stukwrijven, door de neus inademen en de neusgaten met een klem
afsluiten. Dat
gebruik had hij bij een ander volk leren kennen.” Dat schrijft
Ibramihu. Maar
de gewoonte van de Wasungu is anders.
Ze rollen de
gedroogde
stinkbladeren bij elkaar en dragen
steeds een voorraad van die rollen in hun kleren mee. Ze dragen echter
ook
kleine stukjes hout om vuur mee te wrijven in een zak van de
klerenstof. De
Sungu, die wil rookstinken, pakt de rookrol uit de zak, bijt met de
snijtanden
de punt van de rol af en steekt die met een kant in de mond. Doordat
hij bij
het afbijten van de punt tegen zijn hoofd slaat, maakt dat de kracht
van de
tanden veel groter. Dan blaast hij lucht door de rookrol en stopt die
met een
kant in de mond. Hij houdt hem met de lippen vast. Dan wrijft hij vuur
en
steekt de rol aan het eind, dat uit de mond naar buiten hangt, in
brand,
waarbij hij lucht door de rol heen zuigt. Deze lucht nu vermengt zich
met de
rook, en de rook dringt in de keel van de Sungu naar binnen. Dan blaast
hij die
uit, waarbij hij óf naast de rol de lippen een stukje opent
óf de rookrol,
terwijl de rook naar buiten stroomt, in de hand neemt. Velen echter
zuigen de
rook in de longen naar binnen en blazen hem door de neusgaten uit.
Waarschijnlijk
lacht u nu en wilt u niet geloven, wat ik schrijf; want het is
ongelofelijk,
dat een mens rook uit zijn mond blaast. Maar ik ben aan die aanblik al
zo
gewend, dat ik er niet meer om lach.
De rookrollen gloeien
alleen maar; ze branden niet. De as
wordt in kleine bakken gedaan, die overal in de huizen, waar
rookstinkers
wonen, staan opgesteld. Niet alle Wasungu stinken rook. Men
onderscheidt
stinkers en niet stinkers, en onder de stinkers weer sterke stinkers en
degenen, die maar zelden rook maken. Dat onderscheid is heel
belangrijk, omdat
het de Wasungu de gelegenheid biedt, om daarover te praten, een gesprek
met een
onbekende te beginnen en te tellen, hoeveel iedereen apart dagelijks
verbrandt.
Ze spreken dan ook over de grootte en kleur van de rookrollen, waar de
bladeren
zijn geteeld en hoeveel geld de rollen kosten. Zo’n gesprek hoor ik
vaak: de
een vraagt: “wil je een rookrol?” De ander zegt: “nee, ik maak geen
rook.” De
noemt de eerste zijn naam en wipt daarbij met het bovenlijf naar voren.
Dan
verklaart de rookstinker: het is een gewoonte, die hij niet kan laten;
al het
ander zou hij kunnen missen, maar rook moet hij stinken, hij stinkt al
zo en
zoveel jaar, maar nu heeft de medicijnman het hem verboden. Hij doet
het daarom
stiekem, hij heeft een ziek hart en versteende bloedvaten en vaak een
duizeling
in het hoofd; dat er ook rookrollen zijn, die minder schadelijk zouden
zijn,
maar die smaken niet zo goed, en zijn vader en zijn broers, hebben ook
altijd
rook gestonken, een neef van hem echter is een nietstinker, en de
laatste week
zijn de rookrollen weer duurder geworden.
Is nu de ander ook
een
stinker, dan trekken ze beiden hun
rookrollen tevoorschijn en wisselen er een uit. Dan schrijven ze op,
waar de
ander de rookrollen heeft gekocht. Meestal spelen deze gesprekken zich
af in de
wagens, waar de Wasungu in rijden, om op de plaats te komen, waar ze
samen met
andere halve gekken hun dwaasheden verrichten. Deze wagens worden
overigens
ingedeeld in wagens voor rookstinkers en andere voor nietstinkers. Het
staat
hoog aangeschreven.
Maar weinig vrouwen
stinken rook. Het is de gewoonte, als er
een vrouw bij is, om te vragen, of zij het toestaat, dat er wordt
gestonken, en
pas dan rook in het gezicht te blazen. Zodra de lucht slecht genoeg is,
wordt erover
gepraat, of er een deur moet worden opengemaakt. Een aantal zegt ja en
anderen
nee. Zo ontstaat overal een gesprek.
Ook de volgende
vragen
houden de Sungu erg bezig: op welke
leeftijd kinderen mogen beginnen om aan rookrollen te sabbelen, of
vrouwen het
recht hebben om aan rookrollen te trekken, en op welke leeftijd
volwassen
mannen moeten ophouden om rook te stinken, omdat het levensgevaarlijk
voor hen
wordt. De Wasungu zeggen, dat de huidige jeugd eerder begint met rook
te
stinken, dan zij zelf zijn begonnen, en dat het daarom nodig is om de
kinderen
meer te slaan. Vrouwen hebben vroeger geen rook geblazen; tegenwoordig
is het
echter gebruikelijk geworden, dat ze fijngehakte stinkbladeren, die in
briefpapier
zijn gewikkeld, rookstinken.
De gevolgen van het
rookstinken moeten wel veelvuldig zijn.
De stinkers sterven eerder dan de nietstinkers, wat in ieder geval een
vreugde
is voor degenen, die zich met het uit elkaar houden van cijfers
bezighouden, de
cijferkarels. Velen krijgen zweren in de maag, de longen verrotten
voortijdig,
de bloedaderen wordt steenachtig, het hoofd doet pijn, en de kinderen
van de
rookstinkers zijn ziekelijk.
De slechte gewoonte
van
het rookstinken is weer een deel van
wat de Wasungu in hun taal een “gezonde economie” noemen. Het is
onbegrijpelijk,
nietwaar, dat een ongezonde gewoonte als iets gezonds wordt gezien? Dat
komt
echter door het volgende en in hun algemene dwaasheid merken ze dat
helemaal
niet: omdat veel Wasungu door rookstinken hun leven willen bekorten,
moeten heel
veel mensen, mannen, vrouwen en kinderen naar de huizen rijden, waar
rookrollen
gedraaid worden en daar werken. Daar krijgen ze geld voor en kopen
daarvoor
brood. Omdat er voor de teelt van de stinkplanten landbouwgrond wordt
gebruikt,
wordt het verbouwde oppervlak voor broodgraan kleiner en het brood
duurder. Om
voldoende te kunnen eten, moeten de arbeiders dus langer rookrollen
draaien,
zodat ze meer geld krijgen om brood te kopen. Zouden er op een dag
minder
rookrollen worden gebruikt, zo zeggen de cijferkarels, dan worden de
stinkbladerenarbeiders
brodeloos. En ook de mensen, die rookrollen te koop aanbieden, willen
niet, dat
er minder wordt gestonken. Ook de dwazen, die de bakken voor de as
maken,
willen het niet. En omdat van elke rookrol iets aan de regering wordt
betaald,
wil de regering het ook niet, want dan kan ze de cijferkarels niet
betalen en
de mannen, die de rookrollen tellen, en de opperdwazen, die over de
schande van
het rookstinken schrijven. Ze geloven allemaal, dat ze dan brodeloos
worden. Er
bestaan ook medicijnmannen, die de ziekgeworden stinkers de raad geven,
om
minder rook te stinken, en die daarvoor geld krijgen, waar ze brood
voor
zichzelf voor kopen. En ook anderen, die een medicijn maken tegen de
verharding
van de aderen en dat duur verkopen. Daarom wordt ook niet alleen niet
voor het
roken gewaarschuwd, maar staat overal opgeschreven: Maak rook! Niemand
merkt,
dat het brood goedkoper zou zijn, als de mensen, die in de huizen
rookrollen
maken, op de akkers zouden werken, waarop nu stinkbladeren worden
geteeld, en
daar graan zouden verbouwen. Ja, de cijferkarels zijn bang, dat die
mensen datgene,
wat ze willen eten, zelf verbouwen en dat er dan geen wagens heen en
weer
hoeven te rijden en dat de mensen, omdat ze gezond werk hebben, te lang
leven
en daarom meer brood zouden verbruiken. Dus daarom noemen ze het
vervaardigen
van rookrollen een bloeiende bedrijfstak en spreken over een gezonde
economische ontwikkeling. Het schijnt echter, dat degenen, die aan het
rookstinken
zijn gewend, daaraan verslaafd zijn en het moeilijk kunnen laten. Wees
daarom
blij, dat die slechte gewoonte in Kitara onbekend is.
Dat is, wat uw
Lukanga
over het rookstinken van de Wasungu te
vertellen heeft.
Welwillende meester,
behoedt Kitara voor de rookstinkers,
Uw
Lukanga Mukara
Negende
Brief
Lukanga
op de Hohen Meißner.
Birkhain,
15
oktober
1913.
Mukama,
meester der runderen!
Sedert
drie maanden leef ik
weer in eenzaamheid en woon op een berg en in een bos. Hier kreeg ik
beiden:
regen en zon; beiden, warmte en kou; beiden, verdriet en vreugde,
totdat ten
slotte de vreugde groter was, en dat gebeurde in de laatste dagen. Toen
kwamen
zij, die mij leerden, dat er bij het volk van de Wasungu een grote hoop
leeft.
Over hen ga ik u nu vertellen.
Toen
ik naar het bos op de
berg trok, was het de tijd van de graanoogst, toen begon het maaien van
het
gras en de kruiden, en toen de maan terugkeerde, groeven de boeren de
knollen
uit de aarde en plukten de vruchten. Toen brak er een morgen aan. Ik
had naar
de wilde gehoornde dieren geluisterd, die in het bos brulden, omdat het
hun
bronsttijd was, en mijn wijsheid was toegenomen, want ook in dit land
zijn de
dieren de enige leermeesters van de mens. En ik legde mij in mijn
grashut aan
de bergbeek te ruste. Toen hoorde ik stemmen beneden aan de weg, en ik
herkende
een bekende in een groep jonge Wasungu’s, de man van de stam van de
Korongo’s.
Hij was blij, en ze waren allemaal aardig voor me, de jongens en de
meisjes.
Want er waren ook meisjes bij, en ik zag, dat ze mooi waren. Ze konden
lopen en
springen; praten, lachen en zingen. Ze hadden geen lijfconstructie en
geen
dwangschoenen. Ze droegen geen staartveren van wilde dieren op hun
hoofd. Hun
eigen haar hing in gouden vlechten over hun rug, en kransen van rode
bessen
sierden hun hoofd. Toen Lukanga dat allemaal zag, was hij blij en
volgde hen,
waar ze liepen: de berg af en weer een andere berg op, waar een oude
opperhoofdentroon omhoog rees [11]
Hier
kwamen veel jongens en
meisjes bij elkaar. Ze gingen zitten. Iemand sprak en de anderen
luisterden
naar wat de spreker zei. Mukama, toen ik het zelf hoorde, wist ik het
weer. Ik
wist weer, dat er kwaad bestaat, waar een volk zich van kan bevrijden.
En ik
zag, dat de Wasungu kinderen hebben, die iets groots zullen verrichten.
Toen
stond een Sungu op en
sprak: “Wij willen dat iedere Sungu grond heeft, en wij haten, dat
mensen zo
dicht op elkaar wonen. Alleen wie grond bezit en een vaderhut, heeft
een
vaderland en kan voor het land van het volk strijden.” En ze juichten
allemaal
luid, ten teken, dat ook zij het wilden, zoals hij het zei.
Toen
zei iemand anders: “Wij
willen blij zijn over ons volk, over wat het kan en wat het is, en wij
willen
het bij elkaar houden, omdat wij kinderen van één volk
zijn. Wij spreken allemaal
dezelfde taal, wij kennen de gemeenschappelijke daden van onze vaderen;
daarom
doen we wat we doen, als leden van één volk: wij zijn
Wasungu.” Als u nu denkt,
Mukama, dat ik niet heb meegeroepen, toen ik dat hoorde, dan vergist u
zich. Ik
zag dat het goddelijk is, als elk volk zijn eigen grootsheid heeft.
Er
spraken ook Sungu, die
het anders wilden dan al dezen. Ze zeiden: “wij willen een onderscheid
maken
tussen ouderen en jongeren: de jongeren zijn namelijk slim en de
ouderen dom.
Wij willen niemand gehoorzamen en zullen iedereen, die iets voor zijn
volk
doet, uitlachen. Wij willen namelijk alleen maar aan onszelf denken.
Denken en
jong zijn is al voldoende.” Het waren er maar een paar die dat riepen,
de
anderen zeiden: “Wat jullie zeggen, kun je dan wel zelf willen; maar
wij willen
dat niet, wij willen het andere.” En dat was goed, want dat is namelijk
de oude
fout van de Wasungu: steeds zijn er onder hen Sungu geweest, die het
goede
zagen. Omdat er echter meerdere wegen naartoe leidden, hebben ze eerst
met
elkaar gevochten over welke weg de beste was. En dat hebben ze heel
grondig
gedaan en daarbij hebben ze heel veel bij zichzelf naar binnen gegoten,
tot ze
helemaal geen zin meer hadden, om naar het goede te streven, en andere
volkeren
het goede namen.
Toen
sprak er een ervaren
man, die iedereen kende, omdat hij veel had gedacht en aan anderen had
geschreven wat hij had gevonden. [12]
Hij
zei: “wij moeten ervoor
zijn, dat iedere Sungu zegt hoe het is, en niet hoe het niet is. Wij
willen
ook, dat iedereen die verkeerde dingen zegt, een slecht mens wordt
genoemd.” En
ze juichten allemaal.
Toen
zei weer iemand: “Wij
hebben eigen liederen, die gaan we zingen, en rondedansen die gaan we
springen, en als wij dat
doen, zullen we
door het land trekken, van de ene berg naar de andere en wij zullen
blij zijn.
Wij zullen echter alle plaatsen voorbijlopen, waar slikkers zitten en
wij
kabaal horen, want dat is alles bij elkaar, wat niet de aard van echte
Wasungu
is: slikken en naar binnen gieten, rookblazen en meisjes met haren van
andere
mensen en met staartveren van wilde dieren.”
Toen riepen allen
luid,
en een van hen trad naar voren en
zei: “Ja, dat is het. Wij zullen helemaal geen rook meer maken en niet
naar
binnen gieten. Onze adem zal niet stinken, en onze slok zal niet
boeren, dan
zullen wij altijd zuiver en jong blijven, en zal ons hele volk slim en
sterk
zijn, en de hele wereld zal aan onze schoonheid en aan onze daden zien,
dat wij
de Wasungu zijn.” Nu schreeuwde de hele menigte luid.
Mukama, ik was
getuige
van een geweldig vuur, dat in de
harten van edele mensen opvlamde. Deze jonge mensen riepen van vreugde,
omdat
het hen werd toegestaan, om iets voor hun volk en land te doen. Ik
voelde dat
de Wasungu nu heel groot zouden worden, terwijl de vetmesters hun
langste tijd
hadden gehad.
Ze spraken nog lang,
en
de een na de ander trad naar voren.
De een leek mij nog mooier dan de andere, en elke stem verrukte mij. Ik
had
twee gedachten: achttien maanden woonde ik in Kitara en zag de nieuwe
berg
ontstaan, die gloeiend uit de aarde opborrelde [13]
Net zolang ben ik in
het land van de Wasungu en zie nu het
nieuwe volk ontstaan, op de bergen, bij de bossen.
Toen het donker was,
liep iedereen, ook de Korongo, van de
berg naar beneden en wandelde tot middernacht door. En ik volgde hen.
Ze liepen
echter door en zongen, en een van hen speelde op snarenhout. Ze zongen
over
bloemen en dieren, over jongens en meisjes over strijd en liefde en
vaderland.
In de ochtend
bestegen
ze al vroeg een andere berg [14].. Het
is namelijk een wet van deze jonge Wasungu, dat niemand verder mag
praten, als
hij al een dag heeft gesproken. Ze weten, dat de gedachten van de mens
door een
eind lopen zuiver worden. Daarom gaan ze naar een andere berg, voordat
ze
verder praten.
Het jaargetijde was
koud. Wij echter werden tijdens het lopen
warm en namen in bad in bergbeken, onder hoge bomen. Toen kwamen wij
aan bij
een weiland en vonden daar mensen, als gras zoveel.
Ze spraken in een
kring
en pakten elkaars handen vast, ze
zongen en ze dansten. Ze dansten op blote voeten, zoals wij dat in
Kitara doen.
En hoewel ze gekleed waren, waren ze mooi; want hun kleren waren anders
dan die
van de andere Wasungu. Zo was ik vrolijk bij hen, tot aan de avond. Ze
staken
een groot vuur aan en zongen. Toen zweeg iedereen, en iemand stond bij
het vuur
en sprak de taal van de Wasungu [15] Rondom was de nacht en de maan en
de
sterren schenen. Om de berg heen echter lag het land, waarvan het vuur
hier
boven brandde.
Ik zag gestalten van
jonge mannen en meisjes. Ik zag hun ogen
en de vurige glans daarin. Ik zag, als vreemdeling, de toekomst van een
mensenvolk.
Toen zongen duizend
stemmen het lied: “Voor ons is het land
van de Wasungu groot.” Een windvlaag joeg de vlammen hoog op. Maar ik
boog het
hoofd en huilde.
Grote koning. U hebt
uw
dienaar Lukanga Mukara uitgezonden.
Einde
Noten
[1]
Lukanga hoort, zoals deze brief laat
zien, tot een negerstam, die van vruchten leeft. Het moet voor een, op
een
dergelijke manier levende man een merkwaardige indruk maken, dat juist
op dit
moment in Duitsland sprake is van hongersnood, omdat het vlees duurder
is
geworden. Onze lezers van de merkwaardige beschouwingen van Lukanga
geeft het
wellicht te denken, dat echt hele volkeren helemaal geen vlees eten,
wat er bij
ons helemaal niet in wil. – De waarneming van Lukanga van de
hondenslagerij in
Halle wordt overigens bevestigd door een dagbladartikel, dat ik nu voor
mij heb
liggen, waarin staat, dat in Halle naar aanleiding van het gebrek aan
vlees een
hondenslagerij werd geopend en veel bijval kreeg. (Hans Paasche)
[2]
Korongo betekent “reuzenreiger”.
Lukanga bedoelt daar kennelijk de “trekvogels” mee. (Hans Paasche)
[3] De
onderzoeker Lukanga heeft, zoals
deze brief laat zien, ergens in een Duits stadje een uitgelaten
verjaardagsfeest van de keizer meegemaakt. Elke lezer mag voor zichzelf
beoordelen, of Lukanga het recht heeft om datgene, wat hij zag, als
algemene
gewoonten of slechte gewoonte voor te stellen en het zo voor zijn eigen
koning
af te schilderen, die van ons Duitsers op die manier een uiterst
beroerd beeld
moet krijgen! Wij moeten alleen maar denken: Lukanga, die aandachtig
toekijkende buitenlander, heeft de indruk gekregen, dat de
drinkgewoonten en
alle begeleidende verschijnselen van het feestvieren op een
onveranderlijke en
bekende manier verliepen. Zouden wij zelf dan zelfs niet meer weten,
hoezeer
dat alles bij ons een onbewuste gewoonte is geworden? In ieder geval
zal de
beschrijving van Lukanga van onze gewoonten, ertoe bijdragen, dat wij
in de toekomst
onze feesten op een andere basis vieren, dan op het “naar binnen
gieten” zoals
Lukanga dat noemt. (Hans Paasche)
[4]
Lukanga heeft het over de zogenaamde
“roemers”, ronde glazen bekers, waaruit “kenners” het door gisting
bedorven sap
van de edele wijndruiven plegen te drinken. (Hans Paasche)
[5]
Wat Lukanga met de uitdrukking: “Naar
de buik” bedoelt, is niet zonder meer te begrijpen. Kennelijk heeft hij
de
vergissing gemaakt, waar onderzoekers, die maar kort in een vreemd land
zijn,
heel vaak het slachtoffer van worden: hij heeft een op zichzelf staande
observatie gegeneraliseerd. Waarschijnlijk bedoelt hij met “naar de
buik” de
zegswijze: “Moge het je vetbuik bereiken”. Deze zegswijze wordt, zoals
bekend,
door mensen gebruikt, die belang hechten aan de zuiverheid van de taal,
in
plaats van het Latijnse woord “Prosit”. Het gebruik ervan is echter,
naar mijn
weten, nog niet zo wijd verspreid, dat men het als regel kan
beschouwen. (Hans
Paasche)
[6]
Ook hier gaat het, zoals ik heb
vastgesteld, slechts om een plaatselijke, niet algemeen verbreide
gewoonte,
namelijk dat na een vet gerecht een “ronde” sterke drank wordt
gedronken. (Hans
Paasche)
[7]
Dat bier weerzinwekkend op de
onbedorven reukzin van het natuurkind werkt, is zeer opmerkelijk.!
(Hans Paasche)
[8]
Het is, zoals mij een gewezen
corpsstudent (dus een deskundige) meedeelt, inderdaad echt algemeen
gebruikelijk, dat dergelijke uiteenzettingen en uitnodigingen op de
aangeduide
plek plaatsvinden, omdat die de meest geheime is. (Hans Paasche)
[9]
Lukanga zegt in plaats van
“salamander”, “hagedis”. Het was niet na te gaan of hij dat alleen maar
deed
omdat beide dieren misschien in Kitara dezelfde naam hebben, of omdat
er in
Kitara geen salamanders zijn. (Hans Paasche)
[10]
Daar heeft dus iemand de “huilende
ellende” gekregen en heeft met de bijbel onder de tafel gezeten.
Ongetwijfeld
een zeer ontroerende, maar tegelijkertijd bedroevende scène.
Maar godzijdank
kunnen wij zeggen, dat het weer een apart geval was. (Hans Paasche)
[11] Burg
Hanstein.
[12] Dat
was Ferdinand Avenarius
[13]
Kitara is een land met vulkanen, die
nog werken.
[14] De Hoher
Meißner = Kasseler Kuppe
[15]
Knut
Ahlborn
Kurt
Tucholsky over Hans Paasche