Home

DE PAPALAGI
Inleiding bij deze
online-tekst
van de Papalagi
In 1986 werd door
Olaf Stoop en Martin
Beumer in Amsterdam de Real Free Press opgericht. Naast de vele comic
strips
produceerden zij in 1975 een Nederlandse vertaling van De Papalagi,
rijkelijk
geïllustreerd door Joost Swarte en vertaald door Martin. In 1980
is
Real Free Press, die aanvankelijk voornamelijk op hasj en marihuana
dreef,
onder invloed van cocaïne ter ziele gegaan. Dit is een helaas, in
verband met de vele MB's, van illustraties ontdane kopie.
Het verhaal is
gebaseerd op eigen
ervaringen van de schrijver, Erich Scheurmann, op Samoa, destijds nog
een
Duitse kolonie. Hij voert een gefingeerd Zuidzee opperhoofd ten tonele,
om hem zijn uiterst maatschappijkritische visie uit te laten dragen.
Het
geeft een ontluisterende kijk op de waanzinnige westerse maatschappij,
gezien door de ogen van wat zij een primitieve en onontwikkelde
inboorling
noemden. Eigenlijk is het het sprookje van "de Nieuwe Kleren van de
Keizer"
waarin het onbevangen kind de illusie en de waanzin ontmaskert.
Sindsdien
is de wereld alleen maar ingewikkelder, ondoorzichtiger en
krankzinniger
geworden en houdt het verhaal van Erich Scheurmann de westerse mens en
allen die hij in zijn verwoestende kielzog heeft meegesleept, alleen
een
nog pijnlijkere spiegel voor.
Maar het verhaal
heeft ook zwakheden.
Scheurmann schetst een geïdealiseerd beeld van de Tiaveanen. Zij
leefden
weliswaar dicht bij de natuur en dus dicht bij zichzelf, maar ook zij
leefden
niet in de natuur en waren dus ook niet wat ze zouden moeten zijn. Zij
hadden ook hun regels, tradities, gewoonten, rituelen, kleding,
versieringen,
bezittingen en dus ook een opperhoofd. Ook zij waren, zoals elke
cultuur,
afgeweken van het rechte eenvoudige pad en zijn uiteindelijk ook
gezwicht
voor de doodlopende weg van de blanken. Maar ongetwijfeld moet het
Evangelie
voor hen begrijpelijker zijn geweest dan voor degenen die het brachten.
Zij pretendeerden het Licht te brengen en brachten slechts duisternis.
Een officiële
uitgave, van de
uitgeverij Heureka, is nog steeds in de boekhandel verkrijgbaar
REDEVOERINGEN VAN TUIAVII
VAN TIAVEA
'N ZUIDZEE OPPERHOOFD
DE PAPALAGI
OPGETEKEND DOOR ERICH SCHEURMANN
UITGEGEVEN DOOR REAL FREE PRESS
INTERNATIONAL
OUDE NIEUWSTRAAT 10, AMSTERDAM
1974

INLEIDING:
De schrijver heeft
deze redevoeringen
"De Papalagi"- d.w.z. "de blanke, de heer" genoemd. Het zijn
redevoeringen
van Tuiavii uit Tiavea, die hij nog niet gehouden had, maar waarvan hij
het ontwerp had opgeschreven in de taal der inboorlingen, van waaruit
ze
in het Duits zijn vertaald.
Het is nooit de
bedoeling geweest
van Tuiavii zijn redevoeringen voor het Europese publiek uit te geven,
of ze, waar ook, te laten drukken; ze waren uitsluitend voor zijn
polynesische
landgenoten bestemd. Toch heb ik, zonder zijn medeweten en zeer zeker
in
strijd met zijn wens, deze redevoeringen van een inboorling onder het
bereik
van Europese lezers willen brengen, in de overtuiging dat het voor ons
blanken, met onze Westerse ontwikkeling, nuttig kan zijn te vernemen
hoe
een man, die nog eng verbonden is met de natuur, ons en onze cultuur
ziet.
Met zijn ogen zien we,
bekijken
we ons zelf van een standpunt, dat we zelf nooit meer kunnen innemen.
Er
zullen zeker mensen zijn, vooral cultuurenthousiasten, die zijn
zienswijze
kinderlijk, misschien zelfs kinderachtig en onnozel zullen noemen; maar
wie verstandiger, en bovenal deemoediger is, zal door veel wat hier
gezegd
wordt, tot nadenken en tot zelfkritiek gebracht worden, want zijn
wijsheid
spruit voort uit eenvoud, de grootste gave, die God een mens geven kan
en die ziet wat geen wetenschap kan doorgronden.
Deze redevoeringen zijn
niets meer
of minder dan een oproep aan alle volkeren der Stille Zuidzee, zich los
te maken van de " verlichte " volkeren van Europa. In Tuiavii, de
verachter
der Europeanen, leefde de muurvaste overtuiging dat zijn voorvaderen
een
grote fout hadden begaan, door zich met de Europese cultuur gelukkig te
laten maken. Hij is als de jonkvrouw van Fagasa, die gezeten op een
hoge
rots, de eerste blanke zendelingen zag komen en ze met haar waaier
wenkte
om heen te gaan: "Verwijdert u, gij misdadige duivelen!" Ook hij zag in
Europa de donkere demon, de grote verdelgen, waarvoor de mens zich
hoeden
moet, wil hij zijn reinheid bewaren.
Toen ik Tuiavii voor het
eerst leerde
kennen, leefde hij vredig en afgezonderd van de Europese wereld op een
afgelegen eilandje Upolu, dat tot de Samoa-eilanden behoort, in het
dorpje
Tiavea, waarover hij heerste als opperhoofd. Op het eerste gezicht
maakte
hij de indruk van een grote, goedige reus. Hij was bijna twee meter
lang
en buitengewoon krachtig gebouwd. Maar zijn stem was zacht en
vriendelijk
als die van een vrouw, zijn grote, donkere, door zware wenkbrauwen
overschaduwde,
diepliggende ogen, hadden iets stars, iets afwezigs. Maar als hij
onverwacht
aangesproken werd, begonnen ze te glinsteren en verrieden een warm,
zonnig
hart.
In niets onderscheidde
Tuiavii zich
van zijn broeders, de inboorlingen. Hij dronk zijn Kava (1) ging 's
morgens
naar loto (2), at bananen, tora en jams en behield alle inheemse
gebruiken
en zeden. Alleen zijn enkele intieme vrienden wisten, wat er in zijn
geest
gistte en worstelde om tot klaarheid te komen, wanneer hij schijnbaar
dromend
op zijn huismat lag.
De inboorling leeft over
het algemeen
als een kind, uitsluitend en alleen in de zichtbare wereld zonder na te
denken over zichzelf of zijn omgeving, maar Tuiavii had een bijzonder
karakter.
Hij stak ver uit boven zijn volksgenoten, omdat hij bewust leefde en
daardoor
de innerlijke kracht bezat, die ons meer dan iets anders van de
primitieve
volkeren onderscheidt. Door zijn eigenaardige persoonlijkheid had
Tuiavii
de wens in zich voelen opkomen, het verre Europa te leren kennen. Die
wens
had al brandend sterk in hem geleefd, toen hij als jongen de
zendingsschool
der Maristen bezocht, maar was pas in vervulling gegaan toen hij een
volwassen
man geworden was. Hij sloot zich aan bij een groep etnologen, die toen
der tijd het vaste land van Europa bestudeerden en bezocht zo, brandend
van weetlust, achtereenvolgens alle staten van Europa, waarvan hij de
cultuur
en de landelijke eigenaardigheden nauwkeurig leerde kennen. Meer dan
eens
heb ik mij verwonderd over de nauwkeurigheid waarmee hij juist
zogenaamde
kleinigheden in zich opgenomen had. Tuiavii bezat in hoge mate de gave,
nuchter en onbevooroordeeld te kunnen waarnemen. Niets kon hem
verblinden,
nooit liet hij zich door woorden van de waarheid afleiden. Hij zag als
het ware ieder ding in zijn oorspronkelijke gedaante, hoewel hij bij al
zijn studie nooit zijn eigen standpunt kon prijsgeven.
Hoewel ik meer dan een
jaar in zijn
naaste omgeving leefde - ik was lid van zijn dorpsgemeenschap - schonk
Tuiavii mij pas zijn vertrouwen, toen we vrienden geworden waren, toen
hij de Europeaan geheel in mij overwonnen, ja vergeten had. Toen hij
zich
overtuigd had, dat ik rijp was voor zijn eenvoudige wijsheid en
er niet om glimlachen zou (wat ik ook nooit gedaan heb), pas toen
keurde
hij mij waardig, brokstukken te horen van zijn aantekeningen. Hij las
zeme
voor zonder enige pathos, alsof het een geschiedkundig relaas was. Maar
juist daardoor werkte wat hij zei te sterker en zuiverden op mij in, en
wekte in mij het verlangen het gehoorde vast te houden. Pas veel later
gaf Tuiavii mij zijn aantekeningen in handen en stond mij toe, ze in
het
Duits te vertalen. Hij meende, dat ik ze voor persoonlijke studie
gebruiken
wilde en heeft nooit geweten, dat de vertaling, zo als ze was, zou
worden
uitgegeven. Al deze redevoeringen zijn ontwerpen, zijn geen afgerond
geheel.
Tuiavii heeft ze nooit anders gezien. Pas als hij het materiaal
volkomen
geordend had in zijn geest en tot algehele klaarheid gekomen was, wilde
hij zijn "zendingswerk", zoals hij het noemde, onder de
Polynesiers
beginnen. Ik heb de eilanden moeten verlaten, voor hij zijn reis
ondernomen
had. Hoewel ik er mijn eer in gesteld heb, zo veel als enigszins
mogelijk
was, woordelijk te vertalen, ook niets veranderd heb aan de compositie
van de redevoeringen, toch ben ik me bewust, dat de originaliteit, het
directe en oorspronkelijke van zijn woorden zeer heeft geleden. Ieder,
die wel eens heeft gepoogd, iets uit een primitieve over te zetten in
een
moderne taal, zal dat graag verontschuldigen, omdat hij weet hoe
moeilijk
het is, kinderlijke uitingen zo weer te geven, dat ze niet banaal of
onnozel
klinken. De cultuur van Europa beschouwde Tuiavii, de cultuurloze
eilandbewoner,
als een dwaling, een doodlopend slop. Dat zou aanmatigend kunnen
schijnen,
als niet alles gezegd werd met een wonderbare eenvoud, die een
deemoedig
hart verraadt. Het is waar, hij waarschuwt zijn landgenoten, hij wekt
ze
zelfs op, zich vrij te maken van de Europese overheersing. Maar zijn
stem
is daarbij vol weemoed en uit alles blijkt dat zijn zendingsijver
voortkomt
uit mensenliefde en niet uit haat. "Gij lieden meent ons het licht te
kunnen
brengen, " zei hij tot mij, toen we voor de laatste maal samen waren,
"maar
in werkelijkheid poogt ge ons neer te trekken in uw eigen duisternis."
Hij bezag de dingen en de gebeurtenissen in het leven met de
eerlijkheid
en de waarheidsliefde van een kind, stuitte daarbij op ongerijmdheden,
op morele tekortkomingen en terwijl hij zich al die dingen in het
geheugen
terugroept en optelt in zijn geest, worden het levenservaringen voor
hem.
Hij kan niet vatten, waarin toch de grote waarde liggen kan van de
Europese
cultuur, als ze de mensen van zichzelf vervreemdt, hen onwaarachtig,
onnatuurlijk
en verdorven maakt. Wanneer hij voor ons optelt, wat de cultuur ons
gebracht
heeft, beginnende bij ons uiterlijk, zoals hij bij een dier bij de huid
beginnen zou, ze geheel on-Europees en zonder de minste piëteit
bij
hun naam noemt, dan tekent hij ons een beeld van onszelf dat, hoewel
onvolledig,
toch niet onjuist is en waarvan wij niet weten, of we moeten glimlachen
over de tekenaar of over zijn model. In de kinderlijke openhartigheid
en
dat gebrek aan alle piëteit ligt naar onze mening de waarde van
Tuiavii's
toespraken voor ons Europeanen; daardoor is het uitgeven ervan
gerechtvaardigd.
De wereldoorlog heeft ons in Europa sceptisch gemaakt tegenover ons
zelf,
ook wij beginnen te vragen naar de innerlijke waarde der dingen,
beginnen
te betwijfelen, of we door onze cultuur werkelijk ons hoogste ideaal
kunnen
verwezenlijken. Daarom moeten we ons ook niet voor te ontwikkeld
houden,
eens met onze geest af te dalen tot de zienswijze van deze Indiër
van de Zuidzee-eilanden, die nog niet belast is met te veel
ontwikkeling
en nog oorspronkelijk in zijn voelen en denken is en die ons wil laten
voelen, hoe wij het goddelijke in ons zelf gedood hebben, om
afgodsbeelden
daarvoor in de plaats te stellen.
Hoofdstuk 1
HOE DE PAPALAGI
HUN VLEES BEDEKKEN,
HUN VELE
LENDENSCHORTEN
EN MATTEN
De Papalagi breekt
zich voortdurend
het hoofd, hoe hij op de beste wijze. zijn vlees bedekken zal. "Het
lichaam
en alle ledematen zijn vlees, boven de hals begint pas de ware mens,"
heeft
mij een blanke gezegd die in hoog aanzien stond en voor zeer wijs gold.
Hij meende, dat alleen dat deel van het lichaam, waar de geest en alle
goede en kwade eigenschappen hun zetel hebben, onze belangstelling
waardig
is. Het hoofd dus. Dat, en - een enkele maal - ook de handen laten de
blanken
onbedekt. Hoewel het hoofd en de handen toch ook niets zijn dan vlees
en
beenderen. Wie meer van zijn vlees laat zien, kan geen aanspraak maken
op ware zedelijkheid. Wanneer een jongeling een meisje tot vrouw neemt,
is hij er nooit zeker van, niet bedrogen uit te komen, want nooit heeft
hij tevoren haar lichaam gezien (3). leder meisje, al is het zo schoon
gebouwd als de schoonste Taopou (4), bedekt haar lichaam, zodat niemand
het zien kan en van de schone aanblik genieten. Het vlees is zonde. Dat
zeggen de Papalagi want naar hun overtuiging is alleen de geest groot.
De arm, die in het zonlicht wordt opgeheven om de spies te slingeren,
is
een pijl der zonde. De borst, waarin de golfslag van de lucht op en
neer
gaat, is een woning der zonde. De ledematen, waarmee de jonkvrouw ons
een
siva (5) schenkt, zijn zondig. En ook de lichaamsdelen, die bestemd
zijn
om tot vreugde van de grote aarde, nieuwe mensen te maken, zijn zondig
! Alles wat vlees is, is zonde. Er leeft een gif in iedere spier, een
verraderlijk
gif, dat overspringt van de ene mens op de andere. Wie het vlees
aanziet,
zuigt gif in, wordt erdoor gewond, is even slecht en verdorven als wie
het laat zien. - Zo leert de heilige moraal van de blanke man. Daarom
is
dan ook het lichaam van de Papalagi van boven tot onder bedekt met
lendeschorten,
matten en dierenhuiden, zo vast en zo dicht, dat geen mensenoog en geen
zonnestraal er doorheen kan dringen, zo vast dat zijn lichaam bleek,
wit
en vermoeid is als bloemen, die in het oerwoud onder de zware bomen
groeien.
Verneemt, verstandiger broeders van de vele eilanden, welke zware last
een enkele Papalagi aan zijn lichaam torst !
Ten eerste wordt het
naakte lichaam
door
een dunne witte huid omhuld, die vervaardigd is uit de vezels van een
plant
en de bovenhuid genoemd wordt. Men werpt die in de hoogte en laat ze
dan
van boven naar onder over het hoofd, de borst en de armen tot aan de
heupen
glijden. Van onderen naar boven, over de benen en de heupen, tot aan de
navel wordt de zogenaamde onderhuid getrokken. Die twee huiden worden
door
een derde, dikkere huid bedekt, een huid die gevlochten is uit de
wollige
haren van een viervoetig dier, dat speciaal voor dat doel geteeld
wordt.
Dat is de eigenlijke lendenschort. Gewoonlijk bestaat hij uit drie
delen,
waarvan de ene het bovenlijf, de tweede het middenlijf, het derde de
benen
en heupen bedekt. Alle drie delen worden door schelpen (6) en touwen,
vervaardigd
uit het gedroogde sap van de gummiboom, bijeengehouden zodat ze er
uitzien
als één geheel. Dat lendeschort is gewoonlijk grauw als
de
lagunen in de regenmoesson, het mag nooit geheel gekleurd zijn,
hoogstens
het middelstuk en dat alleen bij mannen, die veel van zich doen spreken
en graag de vrouwen nalopen.
Tenslotte wordt om de
voeten nog
een zachte en een zeer stevige huid bevestigd. De zachte is gewoonlijk
rekbaar en voegt zich mooi naar de vorm van de voet, maar bij de vaste
is dat in het geheel niet het geval. Ze worden vervaardigd uit sterke
dierenhuiden,
die zo lang in het water gelegd, met messen afgeschraapt, geslagen en
in
de zon gehangen worden, tot ze hard en stijf geworden zijn. Daaruit
bouwen
de Papalagi een soort kano met hoge randen, net groot genoeg dat de
voet
erin kan. Een kano voor de linker en een voor de rechter voet. Die
voetscheepjes
worden met touwen en weerhaken om de enkels gesnoerd en vastgebonden,
zodat
de voeten in een stevig omhulsel vastliggen als een slak in haar
huisje.
Die voethuiden draagt de Papalagi van zonsop- tot zonsondergang, hij
gaat
daarmee op malaga (7) en danst ermee, hij draagt ze zelfs als het zo
heet
is als na een tropische regen.
Omdat dit
tegennatuurlijk is, wat
de blanken ook wel begrijpen en omdat het de voeten zo mat maakt, alsof
ze al goed dood waren en begonnen te stinken en omdat ook werkelijk de
meeste Europese voeten niet meer grijpen en niet mee langs een
palmstam
naar boven klauteren kunnen - daarom poogt de Papalagi zijn dwaasheid
te
verbergen, door de dierenbuidel, die oorspronkelijk rood ziet, dik met
een vuil te besmeren, wat door langdurig wrijven gaat glanzen, zodat de
ogen de glans slecht verdragen kunnen en afgewend moeten worden.
Er heeft eens in Europa
een Papalagi
geleefd die beroemd is geworden en tot wie vele mensen kwamen, omdat
hij
tot hen zei; "het is niet goed, dat ge zulke nauwe en zware huiden
draagt
om uw voeten, loopt onder de vrije hemel op blote voeten, zolang de
dauw
van de nacht ligt over de velden, dan zullen alle ziekten van u
wijken."
Die man was zeer wijs en zeer gezond, maar de mensen hebben om hem
gelachen
en hij werd spoedig vergeten.
Ook de vrouw draagt,
evenals de man
vele matten en lendengordels om het lichaam en om de enkels gesnoerd.
Haar
huid is daardoor bedekt met littekens en kneuzingen. Haar borsten zijn
slap geworden door de druk van een mat, die ze van de hals tot aan het
onderlijf over de borst binden en ook over de rug en die met visgraten,
ijzerdraad en touw buitengewoon hard gemaakt is. De meeste moeders
geven
hun kinderen dan ook de melk uit een glasrol, die van onderen dicht is
en waaraan van boven een kunstmatige borsttepel bevestigd is. Het is
ook
niet hun eigen melk, die ze geven, maar de melk van een lelijk rood
gehoornd
dier, waaraan met geweld, door trekken aan zijn vier buiktepels, de
melk
ontnomen wordt. Overigens zijn de lendenschorten van de vrouwen en
meisjes
in het algemeen dunner dan die der mannen en mogen kleuriger zijn, en
meer
opvallen. Ook schemeren hals en armen er soms doorheen, zodat meer
vlees
te zien komt dan bij de man. Toch geldt het als een verdienste, als een
meisje zich veel bedekt en de mensen zeggen met welgevallen: ze is kuis
; dat betekent : ze eerbiedigt de geboden der goede zeden.
Daarom heb ik ook nooit
begrepen,
waarom bij grote fono (8) en eetgelagen de vrouwen en meisjes het vlees
van de hals en de rug wel mogen tonen, zonder dat het een schande is.
Maar
misschien geeft juist dat aan het feest de grote bekoring, dat voor een
enkele maal geoorloofd is, wat anders als verboden geldt.
De mannen houden borst
en hals steeds
sterk bedekt. Van de hals tot aan de borstklier dragen de alii (9) een
hard gekalkt lendenschort, zo groot als een taroblad. Daarop rust een
eveneens
stijf en witgekalkte ring,
die om de hals gewonden
is. Door
die ring trekt hij een stuk gekleurd lendenschort, dat hij als het touw
van een boot dooreen strengelt ; dan steekt hij er een gouden naald of
een kraal in en laat het op het witte schild neerhangen. Vele Papalagi
dragen ook gekalkte ringen om de polsen, maar nooit om de enkels.
Dat witte schild en die
witte ringen
zijn zeer belangrijk. Een Papalagi begeeft zich nooit zonder deze
halstooi
in gezelschap van een vrouw ! Nog erger is het, als de ring zwart
geworden
is en niet meer glimt. De hoge alii verwisselen daarom dagelijks hun
borstschild
en kalkringen.
Terwijl de vrouw vele
gekleurde
feestmatten heeft, vaak verscheidene rechtopstaande kisten vol en vele
van haar gedachten gericht zijn op de vraag, welk lendenschort ze
vandaag
of morgen wenst te dragen, of het een lang of een kort moet zijn en met
grote liefde spreekt over de sieraden, die zij erop zal hangen, bezit
de
man gewoonlijk slechts een enkel feestkleed, en spreekt daarover zeer
zelden.
Dat is de zogenaamde vogelkleding, een diepzwarte lendenschort, die op
de rug spits toeloopt als de staart van een bospapagaai (10).
Bij dit sierkleed
behoren de handen
ook met witte huiden te worden bedekt, huiden die over de vingers
getrokken
worden en zo nauw zijn, dat het bloed begint te gloeien en naar het
hart
stroomt. Het geldt daarom als geoorloofd, wanneer verstandige mannen
die
huiden slechts in de hand dragen of ze onder de borstklier in de
lendenschort
klemmen.
Zodra een man of vrouw
de hut verlaat
en de weg betreedt, hullen zij zich in nog een ander zeer wijd
lendenschort,
dat al naar gelang de zon schijnt, dikker of dunner wezen kan. Ze
bedekken
dan ook het hoofd, de man met een stijve zwarte drinknap, die hol is en
rond als het dak van een Samoahuisje, de vrouwen met grote vlechtwerken
van bast of met omgekeerde manden, waaraan ze bloemen die nooit
verwelken,
siervederen, flarden van lendenschorten, kralen en allerlei andere
sieraden
bevestigen. Deze hoofddeksels hebben veel overeenkomst met de tuiga
(11)
van een toapou, behalve dan dat die veel mooier zijn en niet afvallen
bij
storm of onder het dansen. De mannen zwaaien met die hoofdhuisjes
wanneer
zij iemand ontmoeten, terwijl de vrouwen hun hoofdlast slechts langzaam
naar voren neigen, als een boot, die slecht geladen is.
Alleen 's nachts als de
Papalagi
zijn mat opzoekt, werpt hij alle lendeschorten af, hult zich echter
terstond
in een ander, dat naar de voeten toe open is en ze onbedekt laat.
Meisjes
en vrouwen dragen s nachts meestal een doek die aan de hals rijk
versierd
is, hoewel zij daarin slechts uiterst zelden gezien worden.
Zodra de Papalagi op
zijn mat ligt,
bedekt hij zich onmiddellijk tot aan het hoofd met de buikvederen van
een
grote vogel, die samengehouden worden met een grote lendeschort om te
voorkomen
dat ze uit elkaar vallen of wegvliegen.
De vederen doen het
lichaam zweten
en zijn de oorzaak, dat de Papalagi menen in de zon te liggen, ook als
ze niet schijnt. Want voor de werkelijke zon hebben zij weinig
belangstelling.
Het is zeer
begrijpelijk, dat door
dit alles het lichaam der Papalagi wit en bleek wordt, zonder de kleur
der vreugde. Maar de blanke vindt dat juist mooi. Vooral de meisjes
zijn
er steeds op uit hun huid te beschermen tegen het grote licht, dat haar
huid rood zou kunnen maken en houden zodra ze in de zon lopen een groot
dak boven hun hoofd. Alsof de bleke kleur der maan schoner is dan de
kleur
der zon! Maar de Papalagi doen liefst alles op hun wijze en maken zich
steeds een wet naar eigen inzicht. Omdat hun eigen neus spits is als de
tand van een haai, is hij ook schoon en de onze, die eeuwig rond blijft
en zonder weerstand, is volgens hen lelijk, hoewel wij toch juist het
tegenovergestelde
zeggen.
Omdat de lichamen der
vrouwen en
meisjes steeds bedekt zijn, leeft in de mannen een groot verlangen,
haar
vlees te zien, wat ook zeer begrijpelijk is. Zij denken daar aan bij
dag
en nacht en spreken veel over de lichaamsbouw van de vrouw en steeds op
een wijze, dat men in de waan zou komen, dat wat schoon is en
natuurlijk,
een zonde is en slechts gebeuren kan in het duister. Wanneer zij het
vlees
eenvoudig lieten zien, zouden zij hun gedachten meer op andere dingen
kunnen
richten en hun ogen zouden niet loeren en hun mond niet wellustige
woorden
lispelen, wanneer zij een meisje ontmoeten.
Maar het vlees is zonde,
is van
Aitu (12). Kunt gij u groter dwaasheid denken, broeders? Wanneer wij de
blanken geloof wilden schenken, zou men met hen moeten wensen, dat ons
vlees hard was als gestolde lava en zonder de heerlijke warmte die van
binnen komt. Wij echter willen voortgaan ons te verheugen, dat ons
lichaam
met de zon spreken kan, dat wij draven kunnen als wilde paarden, omdat
geen lendeschort ons bindt en geen lederen bekleedsel onze voeten
bezwaart
en wij niet bezorgd behoeven te zijn, dat onze bedekking ons van het
hoofd
valt. Laten wij ons verlustigen in de jonkvrouw, die schoon is van
lichaam
en haar ledematen zien laat in zon en maanlicht. Dwaas, blind, zonder
gevoel
voor de ware vreugden des levens is de blanke, die zich zo dicht moet
omhullen,
om zonder schaamte te zijn.
Hoofdstuk 2
STENEN KISTEN
SPLETEN, STENEN
EILANDEN
EN WAT DAARTUSSEN LIGT
De Papalagi wonen als
schaaldieren
in Vaste huizen. Ze leven tussen de stenen. als de duizendpoot tussen
de
laVaspleten. Om hem heen, boven hem en onder hem zijn stenen. Zijn hut
gelijkt een opstaande kist van steen. Een kist met gaatjes, die in
vakjes
is verdeeld.
Er is maar
één plek,
waar men die stenen woningen kan binnengaan of verlaten. Die plek noemt
de Papalagi de ingang, wanneer zij hun hut binnentreden en uitgaan, als
zij erdoor naar buiten gaan, hoewel het een en dezelfde plek is. Op die
plek is een grote houten vleugel aangebracht, die krachtig
teruggestoten
moet worden, om de hut te kunnen betreden. Maar dat is nog maar een
begin,
vele houten vleugels moeten terug gestoten worden, voor men werkelijk
in
de hut is.
De meeste hutten worden
door meer
mensen bewoond dan er in een Samoa dorp leven. Daarom moet wie een
bezoek
gaat brengen, precies de naam weten van de aiga (13), die hij bezoeken
wil. Want iedere aiga bewoont een eigen deel van de stenen kist, het
bovenste
of het onderste, het middelste, het linkse het rechtse of dat aan de
voorzijde.
En de ene aiga weet vaak niets van de andere, alsof niet alleen een
stenen
muur maar Manono (14) , Apolina of Savaii hen van elkander scheidde.
Vaak
kennen zij nauwelijks elkanders namen en wanneer zij elkander bij het
insluipgat
ontmoeten, groeten zij met een onwillige hoofdbeweging of beginnen te
knorren
als vijandige insecten. Alsof zij boos zijn, zo dicht bij elkander te
moeten
leven.
Wanneer een aiga geheel
boven woont,
vlak onder het dak van de hut, dan moet wie hem bezoeken wil vele
takken
beklimmen, die in een kring of in een zigzaglijn naar boven lopen, tot
hij bij een plek komt, waar de naam van de aiga op de muur geschreven
staat.
Dan ziet hij een sierlijke nabootsing voor zich van een vrouwelijke
borstklier,
die wanneer er op gedrukt wordt, een schreeuw geeft waardoor de aiga
geroepen
wordt. Die kijkt dan door een klein getralied gat of het geen vijand
is,
die op de klier gedrukt heeft. Dan doet hij hem niet open. Maar ziet
hij
een vriend, dan maakt hij een grote houten vleugel, die zorgvuldig
vastgebonden
is, los en trekt hem naar zich toe zodat de gast door de spleet de
eigenlijke
hut betreden kan.
Ook die is door stenen
wanden in
verschillende kisten verdeeld, men gaat de ene vleugel door na de
andere
en komt zo telkens weer in nieuwe kisten, die steeds kleiner worden.
Iedere
kist - de Papalagi noemen het kamers - heeft in de muur een gat, de
grotere
hebben er zelfs twee of drie, waardoor het licht naar binnen komt. Die
gaten zijn dichtgemaakt met een stuk glas, dat er uitgenomen kan
worden,
wanneer er in de kamer frisse lucht moet komen, wat zeer nodig is. Er
zijn
ook vele kisten zonder licht en luchtgaten.
Wij allen zouden in zulk
een kist
spoedig stikken, want nooit waait er een frisse wind zoals in iedere
Samoaanse
hut. Ook kunnen de geuren van het kookhuis geen uitweg vinden. En de
lucht,
die van buiten naar binnen komt, is meestal riet veel beter. Het is
moeilijk
te begrijpen, dat een mens in zo'n omgeving niet sterft, dat hij van
verlangen
niet veranderd in een vogel, dat hij geen vleugels krijgt en wegvliegt,
om de zon te zoeken en de frisse lucht. Maar de Papalagi zijn zeer
gesteld
op hun stenen kisten en merken niet meer hoe schadelijk ze zijn.
Iedere kist heeft zijn
eigen bestemming.
De grootste en lichtste is bestemd voor de fono (15) van het gezin en
voor
het ontvangen van bezoek, een andere voor de slaap. Daar liggen de
matten,
dat wil zeggen, ze zijn geplaatst op houten stellingen met lange poten,
zodat de lucht onder de matten doorstromen kan. Een derde kist is
bestemd
voor het tot zich nemen van voedsel en het maken van rookwolken, in een
vierde worden de etenswaren bewaard, in een vijfde wordt gekookt en in
de laatste en kleinste gebaad. Dat is de allermooiste kamer. Ze is
behangen
met spiegels, de vloer is met bonte tegels versierd en in het midden
staat
een grote schaal van metaal of steen, waarin bezond en niet-bezond
water
vloeit. In die schaal, zo groot als een echt koningsgraf, ja nog
groter,
stappen de Papalagi om zich te reinigen en het vele zand van de stenen
kisten af te spoelen. Er bestaan natuurlijk ook hutten met nog meer
kisten.
Er zijn er zelfs, waar ieder kind zijn eigen kist heeft en iedere
dienaar
der Papalagi, ja zelfs hun hond en hun paard.
‘Tussen die kisten
brengen de Papalagi
hun gehele leven door. Zij zijn nu eens in de ene, dan weer in de
andere
kist, dat wordt geregeld naar de stand der zon. Hun kinderen groeien
op,
hoog boven de aarde, hoger vaak dan de hoogste palmboom, - tussen de
stenen!
Van tijd tot tijd verlaten de Papalagi hun particuliere kisten, zoals
ze
dat noemen, om te gaan naar een andere kist, waar zij hun werkzaamheden
verrichten waarbij zij niet gestoord willen worden en hun vrouw en
kinderen
niet kunnen gebruiken. Gedurende die tijd zijn de vrouwen en meisjes in
het kookhuis bezig en koken of maken voethuiden glimmend, of wassen
lendeschorten.
Wanneer ze rijk genoeg zijn om bedienden te houden, moeten die het werk
doen en gaan zij zelf bezoeken maken of nieuwe eetwaren halen.
Op deze wijze leven er
in Europa
zoveel mensen als er palmen zijn op heel Samoa en dan nog veel meer. Er
zijn er wel enkelen, die een groot verlangen in zich dragen naar de zon
en het licht en naar de bossen, maar dat wordt over het algemeen
beschouwd
als een ziekte, waartegen men zich verzetten moet. Wanneer iemand met
dat
steenleven niet tevreden is, dan zeggen de anderen : hij is een
onnatuurlijk
mens, waarmee ze bedoelen : hij weet niet, wat God voor de mens bestemd
heeft.
Nu staan die kisten
meestal in grote
getale dicht bij elkaar, door geen palm, geen struik van elkaar
gescheiden,
als mensen die schouder aan schouder staan en in iedere kist wonen
zoveel
mensen als in een Samoadorp. En daartegenover, een steenworp ervan
verwijderd,
staat een tweede rij kisten ook weer schouder aan schouder en ook
daarin
wonen mensen. Dus is er tussen die twee rijen maar een nauwe spleet,
die
de Papalagi straat noemen. Die spleten zijn soms zo lang als een rivier
en met harde stenen bedekt. Men moet einden lopen om een open plek te
vinden,
en daarop komen weer vele steenspleten uit. Ook die zijn lang als zoetwaterbeken
en
er
monden andere spleten van gelijke lengte op uit. Dagenlang zou
iemand
kunnen dwalen tussen de spleten zonder aan een bos te komen of een
stukje
blauwe hemel te zien. Tussen de spleten is zelden een stukje heldere
hemel
zichtbaar want doordat iedere hut minstens één, maar
meestal
vele vuurhaarden heeft, is de lucht altijd vol rook en as, als bij een
uitbarsting van de grote krater in Savaii. De as regent naar beneden in
de spleten, zodat de hoge stenen kisten er uitzien als het slik uit de
mangrove-moerassen en de mensen zwarte aarde krijgen in oren en haren
en
zand tussen de tanden.
Toch lopen de Papalagi
van de morgen
tot de avond in de spleten heen en weer. Er zijn er zelfs, die dat met
grote hartstocht doen. Ik heb spleten gezien, waarin het voortdurend
een
gedrang was en waar de mensen doorstroomden als dikke modder. Dat zijn
de straten, waar de reusachtige glazen kisten gebouwd zijn, waarin
allerlei
dingen liggen uitgestald, die de Papalagi nodig heeft om te kunnen
leven
: lendeschorten, hoofdsiersels, hand- en voethuiden, eetwaren, vlees en
ook echt voedsel, zoals vruchten en groenten en nog vele andere dingen.
Ze worden zo neergelegd, dat iedereen ze zien kan en zeer aanlokkelijk
schijnen. Maar niemand mag er iets van nemen, al heeft hij het nog zo
nodig,
zonder daartoe vergunning te hebben gekregen en een offer te hebben
gebracht.
Er zijn vele spleten,
waar van alle
kanten voortdurend groot gevaar dreigt want de mensen lopen er niet
alleen
door elkaar, ze rijden ook op elkaar in of laten zich in grote glazen
kasten,
die op metalen banken glijden, er door dragen. Het is er een vreselijk
lawaai. Onze oren beginnen te tuiten want de paarden slaan met hun
hoeven
op de harde stenen, de mensen slaan erop met hun harde voethuiden,
kinderen
schreeuwen, mannen schreeuwen van vreugde of van ontzetting, maar ze
schreeuwen
allemaal. Het is ook niet mogelijk zich anders verstaanbaar te maken
dan
door schreeuwen. Het is een gesuis en gestamp en gedreun en geratel
alsof
ge bij hevige storm op de klippen van Savaii staat. Maar toch is dat
bruisen
nog lieflijker en beneemt u niet in die mate de stem als het gedruis in
de steenspleten.
Dat alles te samen, de
stenen kisten
met al die mensen, de hoge steenspleten, die dooreen kronkelen als
lange
rivieren, het geraas en getier, de zwarte rook en het zand dat er boven
zweeft, zonder een enkele boom, zonder een plekje blauwe lucht, zonder
wolken - dat alles te samen noemen de Papalagi "stad ". De stad is zijn
schepping, waarop hij buitengewoon trots is. Er wonen daar mensen, die
nooit een boom, nooit een bos gezien hebben, nooit de blote hemel,
nooit
de grote geest van aangezicht tot aangezicht hebben aanschouwd, mensen
die leven als de kruipende dieren in de lagunen, die onder de
koraalriffen
huizen, hoewel die beesten tenminste nog door het frisse zeewater
worden
omspoeld en de zon met haar warme mond nog tot hen door dringt. - Zijn
de Papalagi trots zoveel stenen te hebben aangedragen? Ik weet
het
niet. Papalagi zijn mensen met eigenaardige zintuigen. Ze doen allerlei
wat volkomen zinloos is en waarvan ze ziek worden, maar toch beroemen
zij
zich erop en zingen lofliederen ter ere van zichzelf.
Wat ik u geschilderd heb
is dus
een stad. En er zijn vele zulke steden, kleine en grote. In de grootste
wonen de opperhoofden van een land. De steden liggen verspreid als onze
landen in de zee. Soms zijn ze een badweg van elkander verwijderd, soms
een dagreis. Alle steen-eilanden zijn met elkander verbonden door
gemerkte
paden. Ge kunt echter ook met een landschap varen, dat dun en lang is
als
een worm, voortdurend rook spuwt, en op lange ijzeren draden heel snel
voortglijdt, vlugger dan een twaalf-mans-boot in volle vaart. Maar wie
een vriend op verre afstand een tafola toeroepen wil, behoeft niet naar
hem toe te lopen of te glijden, hij kan zijn woorden in metalen draden
blazen, die als lange lianen van het ene steeneiland naar het andere
lopen.
Sneller als een vogel vliegt komen ze dan aan hun plaats van bestemming.
Tussen al die
steeneilanden is het
eigenlijke land, dat Europa heet. Er zijn daar streken even schoon en
vruchtbaar
als onze eilanden. Daar zijn bomen, rivieren en bossen en er zijn ook
echte
dorpen. Wel zijn ook daar de hutten meestal van steen, maar er staan
vruchtdragende
bomen omheen, de regen kan ze van alle zijden wassen en de wind droogt
ze.
In die dorpen leven
andere mensen
dan in de stad, mensen van andere geaardheid. Ze worden landmensen
genoemd.
Ze hebben groter handen en vuiler lendeschorten. Hun leven is veel
gezonder
en mooier dan dat van de spleetmensen, maar dat geloven ze zelf niet ;
ze benijden de anderen, die ze leeglopers noemen, omdat ze niet in de
aarde
grijpen en er geen vruchten inleggen of uit nemen. Ze leven met de
anderen
in vijandschap, want ze moeten hen voedsel geven van hun land, moeten
de
vruchten afplukken, die de spleetmensen eten, moeten vee opfokken en
hoeden
tot het vet geworden is en ook daarvan moeten zij de helft afgeven aan
de anderen.
Natuurlijk is het
moeilijk al die
spleetmensen voedsel te verschaffen, en ze begrijpen niet recht, waarom
die leeglopers mooiere lendeschorten dragen en mooiere witte handen
moeten
hebben dan zij en niet behoeven te zweten in de zonneschijn of te
verkleumen
in de regen.
De spleetmensen trekken
zich daarvan
weinig aan. Ze zijn overtuigd, dat ze hogere rechten hebben dan de
landmensen
en dat hun werk meer waard is dan het in de aarde leggen van vruchten.
En die strijd tussen de Papalagi is ook niet van die aard dat er oorlog
door ontstaat. Over het algemeen vinden de Papalagi, onverschillig of
ze
tussen de spleten of op het land leven, alles goed zoals het is. De
landmens
bewondert het rijk van de spleetmensen, wanneer hij er een enkele maal
komt en de spleetmensen gorgelen en zingen hun hoogste lied, wanneer ze
door de dorpen van de landmensen trekken. De spleetmensen laten de
landmensen
hun varkens kunstmatig vet maken en de landmensen laten hen hun
steenkisten
bouwen en liefhebben.
Maar wij, vrije kinderen
van de
zon en het licht, wij zullen trouw blijven aan de grote Geest en hem
riet
het hart met stenen zwaar maken. Alleen verdoofde, zieke mensen, die
Gods
hand hebben losgelaten, kunnen gelukkig leven in spleten, waar de zon
en
de wind en het licht geen toegang hebben. Wij gunnen de Papalagi graag
hun twijfelachtig geluk, maar wij zullen ons verzetten tegen zijn
pogingen
ook in onze zonnige landouwen zijn stenen kisten te bouwen en de
mensenvreugde
te doden met steen, spleten, vuil, geraas, rook en zand, zoals zijn
voornemen
is.
Hoofdstuk 3
HET RONDE
METAAL
EN HET ZWARTE PAPIER
Verstandiger
broeders, hoort mij
gelovig aan en weest dankbaar, da ge de zonden en de verschrikkingen
der
blanken niet kent. Gij allen zijt mij getuige dat de zendeling zegt : "
God is liefde ". Een goed Christen behoort steeds het beeld der liefde
voor ogen te houden. De blanken aanbidden daarom volgens hem, alleen de
grote God. Broeders, hij heeft ons betogen en bedrogen, de Papalagi
hebben
hem omgekocht, om ons met de woorden van de grote Geest op een
dwaalspoor
te brengen. Want het ronde metaal en het zware papier, dat zij geld
noemen,
dat aanbidden de blanken als hun God.
Wanneer ge met een
Europeaan spreekt
over de God der liefde, dan trekt hij een scheef gezicht en glimlacht.
Glimlacht om uw onnozelheid. Maar reikt hem eens een rond en glimmend
stuk
metaal of een groot stuk zwaar papier, dan beginnen zijn ogen te
glinsteren
en loopt het speeksel van zijn lippen. Geld is zijn grote liefde, geld
is zijn godheid. Dat is het, waar alle blanken aan denken, ook als ze
slapen.
Er zijn er, wier handen krom geworden zijn en de vorm hebben aangenomen
van de poten der bosmieren, door het vele grijpen naar metaal en
papier.
Er zijn er velen, wier ogen blind zijn van het tellen van geld. Er zijn
er, die hun vreugde hebben weggegeven om geld, hun lachen, hun eer, hun
geweten, hun geluk, ja hun vrouw en hun kind. Bijna allen geven hun
gezondheid
weg voor geld. Ze slepen het mee in hun lendeschorten, tussen
samengevouwen
harde huiden. 's Nachts leggen zij het onder hun slaaprollen, dat
niemand
het weg zou kunnen nemen. Ze denken eraan, iedere dag, ieder uur, ieder
ogenblik. Allemaal, allemaal Ook de kinderen ! Ze moeten en ze zullen
eraan
denken. Het wordt hen door de moeder bijgebracht en ze zien het van de
vader. Wanneer ge wandelt door de spleten van Siamanis (16) hoort ge
telkens
de kreet mark ! En een ogenblik later weer : mark Overal is die kreet
te
horen. Dat is de naam van het glanzende metaal en van het zware papier.
In Falali (17) heet het frank, in Peletania (18) - shilling, in
ltalia
(19) - lire. Mark, frank -, shilling, lire, dat is alles hetzelfde. Dat
betekent alles geld, geld, geld. Het geld alleen is de ware God van de
Papalagi, wanneer we althans als God beschouwen, wat wij als het
hoogste
vereren. Maar het is dan ook in het land der blanken niet mogelijk ook
maar één enkele maal van zonsop- tot zonsondergang zonder
geld te zijn. Helemaal zonder geld ! Gij zoudt uw honger en dorst niet
kunnen stillen, gij zoudt geen mat vinden voor de nacht. In het
naargeestige
pfui (20) zouden ze u opsluiten en u aan de kaak stellen in de vele
papieren
(21), omdat ge geen geld hebt. Ge moet betalen, wat wil zeg-en geld
geven
voor de grond, waarop ge staat, voor de plaats, waar ge uw hut bouwen
wilt,
voor uw mat 's nachts, voor het licht, dat schijnt in uw hut. Wanneer
ge
een duif wilt schieten of uw lichaam baden in de stroom, moet ge
betalen.
Wilt ge gaan naar het oord, waar de mensen zich verheugen, waar ze
zingen
en dansen, of wilt ge uw broeder om raad vragen - veel zwaar papier en
veel rond metaal moet ge betalen. Ge moet betalen voor alles. Overal
staat
uw broeder en houdt de hand open en hij veracht u of scheldt u, wanneer
ge er niets in doet. Een deemoedig lachje of een vriendelijke blik
helpen
niet, wanneer gij zijn hart week maken wilt. Hij zou de mond wijd
opensperren
en u toeschreeuwen : " Schurk ! Luilak, Schooier ". Dat betekent
allemaal
hetzelfde en het is de grootste smaad, die iemand kan worden aangedaan.
Zelfs voor uw geboorte moet ge betalen en wanneer ge sterft moet uw
aiga
betalen, omdat ge gestorven zijt en om toestemming te krijgen, uw
lichaam
in de aarde te leggen en voor de grote steen, die ter uwer
nagedachtenis
op uw graf wordt gerold.
Ik heb maar een ding
kunnen ontdekken
in Europa, waarvoor geen geld gevorderd wordt en wat ieder kan doen
zoveel
hij wil het innemen van lucht.
Maar ik vermoed, dat dat
alleen
vergeten is en ik aarzel niet te beweren, dat wanneer in Europa mijn
woorden
konden worden gehoord onmiddellijk ook daarvoor rond metaal en zwaar
papier
zou worden geëist.
Want alle Europeanen
zoeken voortdurend
naar redenen nog meer geld te eisen. Zonder geld zijt ge in Europa een
man zonder hoofd, een man zonder ledematen, een nul. Geld hebt ge nodig
als eten, drinken en als de slaap. Hoe meer geld ge hebt, hoe beter uw
leven is, Wanneer ge geld bezit, kunt ge daarvoor tabak krijgen en
ringen
en mooie lendeschorten. Ge kunt zoveel tabak, zoveel ringen en zoveel
lendeschorten
krijgen als ge maar hebben wilt, wanneer ge maar geld genoeg hebt. Hebt
ge veel geld, dan kunt ge ook veel krijgen. Iedereen wil graag veel
bezitten.
Daarom wil iedereen ook graag veel geld hebben. En iedereen meer dan
een
ander. Daarom haakt ieder naar geld en loeren daar alle ogen naar, op
ieder
uur van de dag. Wanneer ge een stukje rond metaal in het zand werpt,
snellen
de kinderen erheen, vechten erom en wie het grijpt, is de overwinnaar
en
is gelukkig. - Er worden echter niet vaak geldstukken in het zand
geworpen.
Waar komt het geld
vandaan?
Hoe kunt ge veel geld
krijgen?
0, op allerlei manieren,
op moeilijke
en gemakkelijke. Wanneer ge uw broeder het haar afslaat, wanneer ge het
vuil van voor zijn woning wegdraagt, wanneer ge een kano over het water
stuurt, wanneer ge een sterke gedachte hebt. - Ja, dat moet gezegd
worden,
eerlijkheidshalve : er wordt voor alles zwaar papier en rond metaal
gevorderd
maar het is ook gemakkelijk het voor alles te krijgen. Ge behoeft niets
te doen dan een handeling te verrichten, die in Europa "arbeid" genoemd
wordt. "Arbeidt, zo zult ge geld hebben," is een vaste stelregel in
Europa.
Toch bestaat er een grote onrechtvaardigheid,
waarover
de
Papalagi niet nadenken, niet nadenken willen, omdat ze
anders
het onrecht zouden inzien. Niet alle mensen, die veel geld hebben,
werken
ook veel. (Ja, iedereen zou het liefst veel geld willen hebben, zonder
te werken). Dat komt zo : zodra een blanke genoeg geld heeft voor zijn
eten, zijn hut en zijn mat en dan nog iets overhoudt, laat hij voor wat
hij over heeft, zijn broeder werken, voor zich. Hij begint met hem het
werk te laten doen, dat zijn eigen handen hard en vuil gemaakt heeft.
Hij
laat hem het vuil wegdragen, dat hij zelf gemaakt heeft. Is het een
vrouw,
dan neemt zij zich een meisje als arbeidster. Dat meisje moet de vuile
mat schoonmaken, het kookgerei en de voethuiden. Het moet de gescheurde
lendeschorten weer heel maken en ze mag niets doen wat niet nuttig is
en
aangenaam voor haar meesteres. Daardoor krijgt zij of hij tijd voor
grotere,
sterkere en blijdere arbeid, waarbij de handen schoner en de spieren
vrolijker
blijven en waarvoor meer geld betaald wordt. Is hij botenbouwer, dan
moeten
anderen hem helpen boten te bouwen. Van het geld, dat die andere door
zijn
hulp verdiend heeft en dat hij dus eigenlijk zelf behoorde te krijgen
neemt
hij hem een deel af, het grootste deel en zodra hij kan, laat hij nog
een
tweede broeder voor hem werken en dan drie ; altijd meer broeders
moeten
voor hem boten bouwen, soms worden het er honderd en meer. Tot hij zelf
niets meer doet dan op zijn mat liggen en Europese kavas drinken en
rookrollen
verbranden, de boten afleveren als ze klaar zijn en zich het metaal en
papier laten brengen, dat anderen met hun arbeid voor hem verdiend
hebben.
Dan zeggen de mensen : hij is rijk. Iedereen benijdt hem en vleit hem
en
spreekt hem vriendelijk toe. Want een man wordt in de wereld der
blanken
niet geacht om zijn adel of om zijn moed of om de schittering van zijn
zintuigen, maar om de hoeveelheid van zijn geld, hoeveel hij daarvan
dagelijks
verdienen kan en hoeveel hij bewaart in de sterke ijzeren kisten, die
geen
aardbeving aan het wankelen brengen kan.
Er zijn veel blanken,
die het geld
dat anderen voor hen verdienen, ophopen en dan brengen naar een plaats,
waar het goed bewaard wordt. Steeds meer geld brengen ze daarheen, tot
ze tenslotte ook geen arbeiders meer nodig hebben om voor hen te
werken,
want het geld werkt voor hen. Hoe dat mogelijk is zonder de wildste
tovenarij
is mij nooit geheel duidelijk geworden, maar waar is, dat het geld
steeds
meer aangroeit, als de bladeren aan de bomen en dat de man, zelfs
terwijl
hij slaapt, steeds rijker wordt.
Wanneer nu iemand veel
geld heeft,
veel meer dan de meeste mensen, zoveel dat honderden, ja duizenden hun
arbeid daarmee zouden kunnen verlichten, toch geeft hij hen er niets
van
; hij legt zijn handen om het ronde metaal en gaat op het zware papier
zitten, met gierigheid en wellust in de ogen. En wanneer ge hem vraagt
- wat wilt ge met dat vele geld beginnen, ge kunt hier op aarde immers
toch niets doen, dan u kleden en uw honger en dorst bevredigen? dan
weet
hij niets te antwoorden, of hij zegt: "Ik wil nog meer geld hebben,
altijd
meer. En dan nog meer. " En al spoedig begint ge te bemerken, dat het
geld
hem ziek gemaakt heeft, dat al zijn zinnen bezeten zijn door het geld.
Ziek is hij en bezeten,
omdat hij
met zijn ziel hangt aan het ronde metaal en aan het zware papier en
nooit
meer ophouden kan, zoveel als maar mogelijk is naar zich toe te halen.
Hij kan nooit redeneren : Ik wil onbezwaard en zonder onrecht gedaan te
hebben de wereld verlaten, want de Grote Geest heeft mij ook zonder
rond
metaal en zwaar papier de wereld ingestuurd. Daaraan denken slechts
enkelen.
De meesten blijven altijd ziek, nooit worden ze meer gezond van hart en
ze verheugen zich in de macht, die het vele geld hun geeft. Ze zwellen
op van hoogmoed als rotte vruchten in de zware zomerregen. Met wellust
laten ze vele broeders ruw werk doen, om zelf vet van vlees te worden
en
goed te gedijen. Ze doen dat zonder dat hun geweten zich daartegen
verzet.
Ze bekijken vol trots hun schone witte vingers, die nooit meer vuil
worden
; het verontrust hen niet, ze worden er niet door in de slaap gestoord
dat ze voortdurend de kracht roven van anderen om die te voegen bij de
hunne. Het komt niet bij hen op, anderen een deel te geven van hun geld
om hen daarmee hun arbeid te verlichten.
Daarom bestaan er in
Europa twee
groepen van mensen : de ene moet hard werken en vuil werk doen, terwijl
de andere helft weinig of helemaal niet werkt. De ene groep heeft nooit
tijd in de zon te zitten, de andere heeft niets anders te doen. De
Papalagi
zeggen : " niet alle mensen kunnen evenveel geld hebben en allemaal
tegelijk
in de zon zitten ". Aan deze stelregel ontleent hij het recht wreed te
zijn terwille van het geld. Zijn hart is als steen en zijn bloed koud,
ja hij huichelt, hij liegt, hij is altijd oneerlijk en gevaarlijk,
wanneer
zijn hand grijpt naar het geld.
Vaak komt het voor, dat
de ene Papalagi
de andere doodt, terwille van het geld. Of hij doodt hem met het gif
van
zijn woorden, hij verdooft hem daarmee, om hem uit te plunderen. Daarom
vertrouwt gewoonlijk de een de andere niet, omdat ze allen hun zwakheid
kennen. Daarom is het ook niet mogelijk te weten of een man die veel
geld
heeft, ook goed is van hart ; het is best mogelijk dat hij heel slecht
is. Nooit kunt ge er achter komen, waar en op welke wijze hij zijn
schatten
heeft vergaard.
Maar daardoor weet een
rijk man
ook niet of de eer, die men hem bewijst, hem zelf geldt of zijn ronde
metaal.
Gewoonlijk geldt het alleen zijn geld. Daarom begrijp ik ook niet,
waarom
de mensen die geen rond metaal of zwaar papier bezitten, zich daarover
schamen en de anderen benijden inplaats van zich te laten benijden.
Want
zomin als het goed is of edel, zich met te veel snoeren van schelpen te
behangen, zo min is het goed zich te behangen met veel geld. Het
beneemt
de mensen de adem en ze kunnen hun lichaam niet goed meer bewegen.
Maar geen enkele
Papalagi durft
het geld te verachten. Wie het geld niet liefheeft, wordt uitgelachen,
is valea (22). "Rijkdom - dat betekent veel geld hebben maakt gelukkig
", zeggen de Papalagi. "Het land, dat het meeste geld heeft, is het
gelukkigste
".
Gij lichte broeders, wij
allen zijn
arm. Ons land is het armste van alle landen onder de zon. Wij hebben
niet
genoeg rond metaal of zwaar papier om er een enkele kist mee te vullen.
Volgens de opvattingen der Papalagi zijn wij armzalige bedelaars. En
toch
! Als ik uw ogen zie en ze vergelijk met de ogen der rijke alii, dan
vind
ik de hunne mat flets en vermoeid, terwijl de uwe stralen als het grote
licht, stralen van vreugde, kracht, leven en gezondheid. Ogen als de
uwe
heb ik alleen bij de kinderen der Papalagi gezien, voor ze spreken
kunnen
want voor die tijd kennen ook zij het geld nog niet. Hoe groot is de
genade
van de grote Geest over ons, dat hij ons beschermd heeft tegen de aitu.
Het geld is een aitu, want alles wat het doet is slecht en maakt
slecht.
Wie het geld maar aanraakt, wordt door zijn betovering bevangen en wie
het liefheeft moet het dienen en al zijn krachten eraan offeren zolang
hij leeft.
Laten wij onze edele
zeden liefhebben,
die de man verachten, die voor zijn gastvrijheid, die voor iedere
vrucht
die hij u reikt, een alofa (23) vordert. Laten wij onze zeden
liefhebben,
die niet dulden, dat de een zeer veel meer bezit dan de ander of dat de
een veel heeft en de ander niets. Opdat wij in onze harten niet worden
als een Papalagi, die vrolijk en gelukkig kan zijn, terwijl zijn
broeder
naast hem treurig en ongelukkig is.
Maar bovenal : hoeden
wij ons voor
het geld. Ook ons houden de Papalagi het ronde metaal en het zware
papier
voor om onze begeerte op te wekken. Ze beweren dat het ons rijker en
gelukkiger
zal maken. Velen van ons zijn’ er reeds door verblind en door de
vreselijke
ziekte aangetast.
Maar gij, wanneer ge aan
de woorden
van uw deemoedige broeder geloof slaat en weet, dat ik de waarheid
spreek
wanneer ik zeg, dat geld nooit vrolijker maakt en beter, maar wel het
hart
in grenzeloze verwarring brengt, dat door geld een mens nooit werkelijk
geholpen worden kan, dat hij er nooit vrolijker, sterker en gelukkiger
van wordt, gij zult het ronde metaal en het zware papier haten als uw
ergste
vijand.
Hoofdstuk 4
DE PAPALAGI
ZIJN ARM
DOOR HUN VELE DINGEN
Ook daaraan kunt ge de
Papalagi kennen,
dat hij ons wijs wil maken, dat we arm en misdeeld zijn en zijn hulp en
medelijden nodig hebben, we geen dingen bezitten.
Laat ik u mogen
duidelijk maken,
lieve broeders van de vele eilanden, wat dat is, een ding.
De kokosnoot is een
ding, de vliegenmepper,
het lendeschort, de schelp, de vingerring, de eetschaal, het
hoofdsiersel,
dat alles zijn dingen. Maar er zijn tweeërlei soort van dingen. Er
zijn dingen die de grote Geest maakt zonder dat wij het zien en
waarvoor
wij mensenkinderen ons generlei moeite en arbeid behoeven te
getroosten,
zoals de kokosnoot, de schelp, de banaan en er zijn dingen, die de
mensen
maken, die veel werk en moeite kosten, zoals de vingerring, de
vliegenmepper
en de eetschaar De alii menen nu, dat wij gebrek hebben aan de dingen,
die zij zelf met hun handen maken, want, nietwaar, de dingen die de
grote
Geest maakt kan hij onmogelijk menen. Immers, wie is rijker en wie
bezit
meer dingen van de grote Geest dan juist wij? Werpt uw ogen in het
rond,
tot aan de verste verten, waar op de rand der aarde het grote blauwe
gewelf
rust. Alles is vol grote dingen : het oerwoud met zijn wilde duiven,
kolibries
en papegaaien, de lagunen met hun zeeaugurken, schelpen en waterdieren,
het zand met zijn stralend gezicht en zijn zachte vel van zand, het
grote
water, dat toornen kan als een krijgsman en lieflijk lachen als een
taopou,
het grote blauwe gewelf, dat ieder uur weer anders is en grote bloemen
draagt, die ons goud en zilver schenken als licht. -
Waarom zouden wij zo
dwaas zijn
nog vele dingen te maken, nu we reeds zoveel verheven dingen bezitten,
die de grote Geest zelf ons geschonken heeft? We kunnen zijn werk toch
nimmer evenaren want onze geest is klein en zwak en de macht van de
grote
Geest is groot, onze hand is zwak vergeleken bij zijn machtige grote
handen.
Alles wat wij maken kunnen is gering en de moeite niet waard, dat wij
erover
spreken. We kunnen onze arm verlengen door een stok en de holte van
onze
hand met een tanoa (24) , maar nog geen bewoner van de Samoa-eilanden
en
geen Papalagi is erin geslaagd een palmboom te maken of een kavastruik.
Nu menen de Papalagi,
dat ze tot
veel in staat zijn, dat ze even sterk zijn als de grote Geest. En
daarom
doen duizenden en duizenden handen van zonsopgang tot zonsondergang
niets
anders dan dingen maken. Mensendingen, waarvan wij niet weten, waarvoor
ze dienen en waarvan wij de schoonheid niet vatten. En de Papalagi
vinden
steeds meer en steeds nieuwe dingen uit. Hun handen gloeien, hun gelaat
wordt asgrauw en hun rug is gebogen ; maar toch stralen ze van geluk,
wanneer
ze erin geslaagd zijn weer een nieuw ding te maken. En onmiddellijk
willen
alle mensen zo'n nieuw ding hebben ; ze zetten het voor zich, ze
aanbidden
het en bezingen het in hun taal.
0, broeders, schenk mij
geloof,
want ik heb de gedachten van de Papalagi doorschouwd en heb hun gezien,
alsof hij belicht werd door de middag zon. Omdat hij de dingen van de
grote
Geest vernielt, overal waar hij
komt, wil hij wat hij
doodt, zelf
weer levend maken door eigen kracht, en dan probeert hij te geloven,
dat
hij zelf de grote Geest is, omdat hij zoveel dingen maakt. Broeders,
denkt
u eens in, dat op dit ogenblik een storm kwam en het oerwoud en de
bergen
meesleurde met alle bladeren en bomen en die ook alle schelpen en
schaaldieren
met zich nam uit de lagunen en er zelfs geen lübisbloem meer
overbleef
waarmee onze meisjes zich het haar konden tooien - als alles wat we om
ons heen zien plotseling verdwenen was, zodat er niets meer over was
als
het zand en de aarde geworden was als een vlakke hand of als een
heuvel,
waarover de gloeiende lava is gevloeid, dan zouden wij weeklagen om de
palm, de schelp en het oerwoud, om alles. Waar de vele hutten der
Papalagi
staan, de vele hutten die ze stad noemen, daar is het land zo kaal als
een vlakke hand en daardoor zijn de Papalagi ook verward geworden in
het
hoofd en spelen ze dat ze de grote Geest zijn, om het vele, dat ze
verloren
hebben, te vergeten. Omdat ze zo arm zijn en hun land zo treurig
geworden
is, grijpen ze naar dingen, zoals een dwaas dorre bladeren verzamelt en
zijn hut daarmee vult tot er bijna geen plekje meer vrij blijft. Daarom
benijdt hij ons en hoopt ons even arm te maken als hij zelf is.
Het is een teken van
grote armoede,
wanneer iemand veel nodig heeft want hij bewijst daarmee, dat hij arm
is
aan de dingen van de grote Geest. De Papalagi zijn arm, want als
razenden
jagen ze naar het ding. Zonder dingen kunnen ze helemaal niet leven.
Wanneer
ze zich uit de rug van een schildpad een ding gemaakt hebben om
hun haren mee glad te maken, als ze er olie op gedaan hebben, dan maken
ze een huid voor dat werktuig, en voor die huid een kistje en voor dat
kistje nog een grotere kist. Alles doen ze in de huiden en kisten. Er
zijn
kisten voor lendeschorten, voor bovendoeken en onderdoeken, voor
wasdoeken,
monddoeken en andere doeken, kisten voor handhuiden en voor voethuiden,
voor het ronde metaal en voor het zware papier, voor de eetwaren en
voor
het heilige boek, voor alles, wat zich maar denken laat. Als
één
ding genoeg zou zijn, maken ze er twee. Wanneer ge in een Europees
kookhuis
komt, ziet ge zoveel eetschalen en kookgereedschappen, dat het
onmogelijk
is, dat ze allemaal gebruikt worden. En voor alle spijzen zijn er
verschillende
tanoa, voor het water een andere als voor de Europese kava, voor de
kokosnoten
een andere als voor de duiven.
In een Europese hut zijn
zoveel
dingen, dat zelfs wanneer iedere man uit een Samoadorp er zijn handen
en
armen mee belaadde, de bewoners te samen niet alles tegelijk zouden
kunnen
wegdragen. In iedere hut zijn zoveel dingen, dat de blanke hoofdlieden
vele mannen en vrouwen in dienst hebben, die niets anders doen dan die
dingen neerzetten waar ze horen te staan en ze van zand reinigen. En
zelfs
de allerhoogste taopou gebruikt een groot deel van haar tijd om haar
dingen
na te tellen, te verschuiven en te reinigen. Broeders gij weet dat ik u
de waarheid vertel, zoals ik het met mijn eigen ogen gezien heb, zonder
dat ik er iets bij maak of iets van de waarheid afdoe. Geloof mij dus
wanneer
ik u zeg dat er in Europa mensen zijn, die het vuurroer tegen het eigen
voorhoofd drukken en zichzelf doden, omdat ze liever niet leven dan
zonder
dingen te moeten leven. Want de Papalagi verwarren op allerlei manieren
hun geest en maken zichzelf wijs, dat een mens niet leven kan zonder
dingen,
zoals hij niet zonder eten leven kan.
Ik heb dan ook in Europa
nooit een
hut kunnen vinden, waar ik goed kon rusten op mijn mat, waar niets mijn
ledematen hinderde wanneer ik mij wilde uitstrekken. Alle dingen zenden
bliksemschichten of schreeuwen luid met de mond van hun kleuren, zodat
ik niet rustig mijn ogen kon sluiten. Nooit kon ik daar de ware rust
vinden
en nooit verlangde ik zo smartelijk naar mijn hut in Samoa, waar geen
dingen
zijn dan de mat en slaaprol en waar niets tot ons komt dan de milde
zeewind.
Wie weinig dingen heeft noemt zichzelf arm en is treurig. Geen Papalagi
kan zingen en met vrolijke ogen door het leven gaan, wanneer hij,
evenals
wij, niets bezit dan zijn eetschotel. Mannen en vrouwen uit de blanke
wereld
zouden in onze huizen zitten klagen en wenen, ze zouden zich haasten
uit
het bos hout te halen en schildpadruggen en glas, ijzerdraad en bonte
stenen
en nog veel meer en dan zouden ze van de morgen tot de avond hun handen
bewegen tot hun Samoa-huis vol was van grote en kleine dingen, die
gemakkelijk
in stukken breken, die door het vuur en de regen verwoest kunnen
worden,
zodat er telkens weer iets nieuws voor in de plaats moet worden gemaakt.
Hoe meer dingen iemand
nodig heeft,
hoe beter Europeaan hij is, daarom rusten de handen der Papalagi nooit,
steeds maakt hij dingen. Daarom zijn de gezichten van de blanken vaak
zo
moe en zo droevig en daarom weten slechts enkele van hen tijd te vinden
om de dingen van de grote Geest te zien, op het plein van het dorp te
spelen,
vrolijke liederen te dichten of op feestdagen te dansen in het licht en
zich te verheugen over hun gezonde lichaam, zoals dat voor ons allen
mogelijk
is (25).
Ze moeten dingen maken.
Ze moeten
hun dingen bewaren. De dingen zuigen zich aan hen vast en kruipen over
hen heen als kleine zandmieren. In koelen bloede begaan zij de
vreselijkste
misdaden om de dingen maar machtig te worden. Ze beoorlogen elkander
niet
terwille van hun mannelijke eer of om hun krachten te meten, maar enkel
en alleen om dingen.
En toch, allen zijn zij
zich de
grote armoede van hun leven bewust, anders zouden er niet zoveel
Papalagi
zijn, die hooggeëerd worden, omdat ze hun hele leven niets
anders
doen dan haren in gekleurd sap dopen en daarmee schone spiegelbeelden
op
witte matten werpen. Alle schone dingen van God schrijven ze op, zo
bont
en zo blij als ze maar kunnen. Ook vormen ze mensen uit weke aarde
zonder
lendeschorten, meisjes met heerlijke vrije bewegingen als de taopou van
Matautu of gestalten van mannen, die knotsen zwaaien en in het woud de
wilde duif bespieden, mensen van steen, waarover de Papalagi prachtige
grote feesthutten bouwt waar de mensen van ver heen reizen, om er de
schoonheid
en heiligheid van te genieten. Ze staan ervoor, dicht in hun
lendeschorten
gehuld en sidderen. Ik heb Papalagi zien wenen van vreugde over de
schoonheid,
die hijzelf verloren heeft.
Nu willen de blanken ons
rijk maken
door ons hun schatten te brengen - hun dingen. Maar die dingen zijn
giftige
pijlen, waaraan de mensen in wier borst ze dringen, sterven. "We moeten
hen nieuwe behoeften opdringen" heb ik eens van een man horen zeggen,
die
onze eilanden goed kende.
Behoeften - dat zijn
dingen.
"Dan zullen ze ook beter
tot werken
te krijgen zijn, " vertelde die wijze man verder. Hij bedoelde, dat ook
wij de kracht van onze handen behoorden te gebruiken om dingen te
maken,
dingen voor onszelf maar toch vooral dingen voor de Papalagi. Ook wij
moeten
moe en gebogen en grijs worden. Broeders van de vele eilanden, we
moeten
waakzame zinnen hebben want de woorden der Papalagi schijnen zoete
bananen,
maar ze zijn vol verborgen speren, die alle licht en alle vreugde in
ons
doden willen. Laten we nooit vergeten, dat we maar weinig nodig hebben
buiten wat de grote Geest ons schenkt. Ons heeft hij ogen gegeven, die
zijn dingen zien. En er is meer dan een mensenleven toe nodig ze allen
te genieten. En nooit is een grotere onwaarheid gekomen uit de mond van
een mens als toen de witte man tot ons zei, dat de dingen van de grote
Geest weinig waarde hebben maar dat de dingen, die zij maken zeer
waardevol
zijn en veel nuttiger. - Hun eigen dingen, die zo groot zijn in getal,
en die schitteren en fonkelen en ons verleidelijke blikken toewerpen en
zich aan ons opdringen, ze hebben nog nooit het lichaam van een
Papalagi
schoner gemaakt of zijn ogen schitterender of zijn zintuigen sterker.
Daarom
hebben hun dingen ook weinig nut en wat hij zegt en ons met geweld wil
laten geloven, zijn in vergif gedrenkte gedachten en uitingen van een
boze
geest.
Hoofdstuk 5
DE PAPALAGI
HEBBEN GEEN TIJD
De Papalagi hebben
het ronde metaal
en het zware papier lief, zij scheppen er groot behagen in veel
vloeistoffen
uit dode vruchten en vlees van varkens en runderen en andere vreselijke
dieren in hun buik te stoppen, maar ook hebben ze een hartstocht wat
niet
te grijpen is en toch bestaat - de tijd.
Ze doen daar heel
Gewichtig over
en vertellen er allerlei dwaasheden van. Hoewel er nooit meer tijd is
dan
verloopt tussen zonsopgang en zonsondergang, hebben ze daaraan nooit
genoeg.
De Papalagi zijn
voortdurend ontevreden
met hun tijd en ze klagen de grote Geest aan, dat hij hen niet meer
gegeven
heeft. Ja, ze lasteren God en zijn grote wijsheid door elke
nieuwe
dag naar een ingewikkeld schema te verdelen en in stukjes te snijden,
zoals
men het weke vlees van een kokosnoot met een kapmes in partjes snijdt.
Elk partje heeft een naam, het zijn seconden of minuten of uren. De
seconde
is kleiner dan de minuut en de minuut kleiner dan het uur. Uit dat
alles
worden uren opgebouwd. Om een uur te maken heeft men zestig minuten
nodig
en nog veel meer seconden.
Dat is een vreselijk
verwarde geschiedenis,
waarvan ik het rechte nooit begrepen heb, omdat het mij zwaar valt,
langer
dan nodig is na te denken over zulke nonsens. Maar de Papalagi doen
daarover
zeer gewichtig. Mannen en vrouwen, en zelfs kleine kinderen, die
nauwelijks
op hun benen kunnen staan dragen in hun lendeschort, aan dikke metalen
kettingen gebonden of hangend om de hals of gesnoerd om de pols een
kleine
platte ronde machine, waarop ze de tijd kunnen aflezen. Dat aflezen is
niet gemakkelijk. Het wordt de kinderen geleerd door hun de machine
tegen
het oor te houden om ze nieuwsgierig te maken. Zulke machines, die zo
licht
zijn dat men ze gemakkelijk op twee vingers dragen kan, hebben evenals
de schepen die ge allen kent in hun buik een machine. Er zijn ook grote
tijdmachines, die staan in de hutten of hangen boven aan de grootste
huizen,
dat ze maar goed zullen worden gezien. Wanneer nu een partje van de
tijd
om is, wijzen twee kleine vingertjes buiten op de machine dat aan en
tegelijk
begint ze te schreeuwen, een geest slaat tegen het ijzer in haar hart.
Ja, als een bepaald deel van de tijd voorbij is, ontstaat er in een
Europese
stad en geweldig gedruis en lawaai.
Als dat tijdsgedruis
weerklinkt,
klagen de Papalagi : het is vreselijk, dat er alweer een uur voorbij
is.
Daarbij zetten ze gewoonlijk een somber gezicht als iemand, die een
groot
leed te dragen heeft. Vreemd, want er begint toch dadelijk weer een
nieuw
en fris uur. Ik heb dat nooit kunnen begrijpen, maar ik vermoed, dat
het
een ziekte is. "De. tijd gaat als een damp voorbij, " - "de tijd loopt
zo hard, " - " geef me toch een beetje tijd ." Zulke klachten hoort men
van blanke mensen voortdurend.
Ik heb gezegd ; dat is
waarschijnlijk
een soort ziekte. Want wanneer de blanke man lust heeft, het een of
ander
te doen, wanneer zijn hart ernaar verlangt bijvoorbeeld in de zon te
lopen
of in een boot op de rivier te varen of zijn meisje lief te hebben, dan
bederft hij gewoonlijk zijn eigen plezier, doordat hij niet los kan
komen
van de gedachte, dat hij geen tijd heeft vrolijk te zijn. De tijd is er
wel, maar hij schijnt hem absoluut niet te kunnen ontdekken. Hij noemt
u duizend dingen die zijn tijd van hem wegnemen, knorrig en klagend
hokt
hij bij zijn werk, waarin hij geen lust heeft, dat hem geen vreugde
brengt,
waartoe hij ook door niemand gedwongen wordt dan door zichzelf. En als
hij dan opeens merkt, dat hij toch tijd heeft doordat hij opeens
ziet dat de tijd er wel is, of doordat anderen hem tijd geven- de
Papalagi
geven elkaar vaak tijd en geen geschenk wordt zo hoog gewaardeerd als
juist
dat - dan heeft hij juist weer geen lust, of hij is moe van de
vreugdeloze
arbeid. En altijd neemt hij zich voor morgen te doen, waarvoor hij
vandaag
tijd zou hebben gehad.
Er zijn Papalagi die
beweren nooit
tijd te hebben. Ze lopen verdwaasd rond, als van de aitu bezeten en
waar
ze komen stichten ze onheil, omdat ze hun tijd verloren hebben.
Die bezetenheid is een
vreselijke
ziekte, waarvan geen medicijnman hen genezen kan en waardoor vele
mensen
besmet worden, zodat ze diep ongelukkig worden.
Omdat de Papalagi
voortdurend doodsbang
zijn hun tijd kwijt te raken weten ze ook allemaal precies, niet alleen
de mannen, maar ook de vrouwen en zelfs de kleine kinderen, hoeveel
maal
de zon en de maan zijn opgegaan, sinds ze voor de eerste keer het grote
licht aanschouwden. Ja dat speelt in hun leven zo'n grote rol, dat het
telkens met gelijke tussenpozen gevierd wordt met bloemen en grote
feestgelagen.
Heel dikwijls heb ik gemerkt, dat de mensen meenden zich voor mij te
moeten
schamen, wanneer mij gevraagd werd, hoe oud ik was en ik begon te
lachen
en het niet wist.
"U moet toch weten hoe
oud u bent?"
.
Dan zweeg ik en dacht
"Het is maar
beter dat ik het niet weet." "Hoe oud bent u, " betekent "hoeveel manen
hebt u geleefd. " Dat tellen en navorsen is vol gevaren want daarbij is
aan het licht gekomen, hoeveel manen het leven van de meeste mensen
duurt.
Nu letten de mensen goed op en als een groot aantal manen voorbij zijn,
zeggen ze "Nu moet ik gauw sterven". Dan worden ze stil en treurig en
sterven
ook werkelijk na een korte tijd. Er zijn in Europa maar heel weinig
mensen,
die werkelijk tijd hebben. Misschien wel geen een. Daarom draven de
mensen
door het leven, als een weggeslingerde steen. Bijna allen houden onder
het lopen de ogen naar de grond gericht en zwaaien met de armen om maar
snel vooruit te komen.
Wanneer iemand ze
staande houdt,
roepen ze knorrig, "Waarom stoor je me, ik heb geen tijd. Zorg liever
dat
je je eigen tijd nuttig gebruikt. " Ze schijnen te denken dat een mens
die hard loopt meer waard is en dapperder is dan iemand, die langzaam
loopt.
Eens heb ik het hoofd
van een man
uit elkaar zien barsten, zijn ogen rolden, zijn muil was opengespalkt
als
van een stervende vis, hij werd rood en groen en sloeg om zich met
handen
en voeten, omdat zijn dienaar een ademtocht later kwam, dan hij beloofd
had te zullen komen. Die ademtocht was een groot verlies. dat nooit
meer
goed kon worden gemaakt. De dienaar moest zijn hut verlaten, de
Papalagi
joeg hem weg en schold hem uit. " Nu is het genoeg want veel tijd hebt
ge me ontstolen. Een mens, die geen eerbied heeft voor de tijd, is de
tijd
niet waard . "
Een enkele maal heb ik
een Papalagi
gezien, die tijd had, die nooit over zijn tijd klaagde maar hij was arm
en vuil en veracht. De mensen liepen in een wijde boog om hem heen en
niemand
sloeg acht op hem. Ik begreep dat niet, want zijn tred was langzaam en
rustig en zijn ogen waren stil en vriendelijk. Toen ik hem vroeg, hoe
dat
zo kwam, vertrok hij het gezicht en hij zei treurig 'Ik heb nooit
mijn tijd goed weten te besteden, daarom ben ik nu een arme, verachte
sukkel
. " Die man had tijd, maar ook hij was niet gelukkig.
Met al hun krachten en
met al hun
gedachten streven de Papalagi ernaar de tijd zo dik te maken als maar
mogelijk
is. Het water en het vuur, de storm en de bliksemstralen van de hemel
gebruiken
ze om de tijd op te houden. Ze maken ijzeren wielen onder hun voeten en
geven hun woorden vleugels om meer tijd te hebben- En waartoe dient al
dat werk en al die moeite? Wat doen de Papalagi met hun tijd? - Ik ben
daar nooit helemaal achter gekomen hoewel men uit hun woorden en
gebaren
zou menen te mogen opmaken, dat ze door de grote Geest zelf op een fono
genodigd waren. Ik geloof, dat de tijd hem ontsnapt als een slang uit
een
natte hand, juist omdat ze altijd proberen hem vast te houden. Hij laat
de tijd niet tot zich komen. Altijd jaagt hij hem na met uitgestrekte
handen,
hij gunt hem niet de rust zich uit te strekken in de zon. Altijd moeten
ze hem vlak bij zich hebben en hij moet hen een liedje voorzingen of
hen
iets vertellen. Maar de tijd is stil en vredig en heeft de rust lief en
ligt raag stil op de mat. De Papalagi hebben de tijd niet begrepen en
daarom
mishandelen ze hem met hun ruwe gebruiken. 0 mijn geliefde broeders!
Wij hebben ons nooit
over de tijd
beklaagd. Wij hebben hem liefgehad zoals hij kwam, nooit zijn we hem
nagelopen
of hebben hem in stukken gesneden. Nooit heeft hij ons zorgen of
verdriet
bereid. Is er iemand onder u, die geen tijd heeft, dat hij spreke. Wij
hebben allen tijd in overvloed maar we zijn ook tevreden met de tijd,
we
vragen niet om meer tijd dan er is en we hebben steeds tijd genoeg We
weten,
dat we zeker op tijd ons einddoel zullen bereiken, en dat de grote
Geest
ons roepen zal, wanneer het hem goeddunkt, ook al kennen wij het getal
van onze manen niet. Wij moeten de arme, verdwaasde Papalagi van hun
waandenkbeelden
bevrijden, moeten hun de tijd terug geven. Laten we hen die kleine
ronde
tijdmachines afnemen en ze stuk slaan en hen zeggen, dat er tussen
zonsopgang
en zonsondergang veel meer tijd is dan een mens gebruiken kan.
Hoofdstuk 6
DE PAPALAGI
HEBBEN GOD ARM GEMAAKT
De Papalagi hebben
een wonderlijke
en verwarde manier van denken. Altijd vragen ze zich af, hoe ze van het
een of ander voordeel kunnen trekken en er rechten aan ontlenen.
Meestal
denken ze maar aan één mens, en niet aan alle mensen. En
die ene mens is hij zelf.
Wanneer iemand zegt : "
mijn hoofd
is van mij en behoort aan niemand anders dan aan mij alleen ", dan is
dat
werkelijk waar en niemand kan er iets tegen inbrengen. Niemand heeft
meer
recht op zijn eigen hand dan aan wiens lichaam de hand zit
vastgegroeid.
Tot zover geef ik de Papalagi gelijk. Maar hij gaat ook zeggen :" die
palm
is van mij ." omdat de palm toevallig voor zijn hut staat. Hij doet,
alsof
hij die palm zelf had laten groeien. Maar die palm behoort aan niemand.
Aan niemand. Het is Gods hand, die hij ons toesteekt vanuit de aarde.
God
heeft vele handen. Iedere boom, ieder grasje, de zee, de hemel en de
wolken
die er langs drijven, dat zijn alle handen van God. We mogen er naar
grijpen
en er ons over verheugen, maar nooit mogen wij zeggen : " Gods hand is
mijn hand" En dat doen de Papalagi.
In onze taal betekent
"lau" van
mij maar ook "van u ", dat is bijna hetzelfde. In de taal van de
Papalagi
zijn er nauwelijks twee woorden te bedenken die verschillender van
betekenis
zijn als "van mij" en "van u ". Van mij, dat betekent dat iets
uitsluitend
en alleen mij toebehoort. Van u, dat is wat een ander geheel en al
bezit.
Daarom zeggen de Papalagi van alles, wat zich in de nabijheid van hun
hut
bevindt : " het is van mij ". Niemand heeft er enig recht op, behalve
hijzelf.
Wanneer ge bij een Papalagi komt en daar iets ziet, een vrucht of een
boom,
water of bos, een hoopje aarde, altijd is er iemand in de buurt die
zegt
:" dat is van mij, Pas op als je je vergrijpt aan wat van mij is."
Wanneer ge het toch
aanraakt begint
hij te schreeuwen en noemt u een dief ! Dat is het vreselijkste
scheldwoord
dat hij kent. En dat alles omdat ge gewaagd hebt het mijn van een ander
aan te raken. Zijn vrienden en dienaren van het stamhoofd komen
aangesneld,
doen u ketenen aan en stoppen u in het naargeestige pui-pui (26) en uw
gehele verdere leven wordt ge veracht.
Om nu te voorkomen dat
de mensen
zich vergrijpen aan wat iemand verklaart heeft
dat hem toebehoord,
wordt door de
wet vastgesteld wat van de een is en wat van de ander. En er zijn in
Europa
mensen, die hun leven lang niets anders doen dan opletten dat die wet
niet
overtreden wordt, dat de Papalagi niets wordt afgenomen van wat hij
zich
heeft toegeëigend. De Papalagi wij daarmee de schijn wekken, dat
hij
werkelijk recht op die dingen heeft, alsof God hem voor eeuwig zijn
bezit
had afgestaan. Alsof hem werkelijk de palmen, de bloemen, de bomen, de
zee, de lucht en de wolken toebehoren.
De Papalagi hebben zulke
wetten
nodig en ze moeten zulke bewakers voor hun mijn heb ben, omdat anders
de
mensen, die maar weinig of geen mijn hebben, het anderen af zouden
nemen.
Want waar mensen zijn, die veel voor zich nemen, daar zijn er
natuurlijk
ook, die met lege handen staan. Niet iedereen kent de kunstgrepen en de
geheime tekens, waardoor men veel mijn veroveren kan en er is daarvoor
ook een bijzonder soort van dapperheid nodig, die niet altijd in
overeenstemming
te brengen is met wat wij eer noemen. En het is best mogelijk, dat de
Papalagi,
die weinig in handen hebben, omdat ze God niet beroven en niet
beledigen
willen, de allerbesten van hun stam zijn. Maar veel Papalagi van dat
soort
bestaan er niet.
De meesten bestelen God
met grote
schaamteloosheid. Ze weten niet beter. Ze beseffen helemaal niet, dat
ze
iets slechts doen, iedereen doet het en niemand ziet er iets verkeerds
in of schaamt er zich over. Velen ontvangen ook hun vele mijn reeds bij
hun geboorte uit de handen van hun vader. En God bezit haast niets meer
want de mensen hebben hem alles afgenomen en tot hun mijn en dijn
gemaakt.
Hij kan zijn zon, die voor allen te zamen bedoeld was, niet meer
gelijkelijk
onder de mensen verdelen, omdat de een meer eist dan de ander. Op de
mooie
open plekken, waar de zon in al zijn heerlijkheid schijnt, zitten maar
enkele mensen, terwijl vele andere in de schaduw met moeite een enkele
bleke zonnestraal opvangen. God kan zich niet meer van harte verheugen,
omdat hij niet meer de hoogste Alii sili (27) is in zijn eigen huis. De
Papalagi verloochenen hem door te zeggen : alles is van mij ! Maar tot
dat inzicht komen ze niet, al denken ze ook nog zoveel na. Integendeel,
hij noemt zijn daden eerlijk en rechtvaardig. Maar ze zijn oneerlijk en
onrechtvaardig tegenover God.
Wanneer ze goed
nadachten, zouden
ze toch ook moeten inzien, dat niets ons toebehoort wat we niet vast
kunnen
houden en dat we als het er op aan komt, niets kunnen vasthouden. Dan
zou
hij ook -aan inzien, dat God zijn grote huis gemaakt heeft omdat hij
wilde
dat allen daarin een plaats zouden vinden en er van genieten. En het
zou
ook best -root genoeg zijn voor iedereen, er zou voor ieder mens wel
een
zonnig plekje te vinden zijn en een klein stukje vreugde, een paar
palmbomen
en heel zeker een plaats om op te staan met zijn twee voeten, zoals God
het had gewild en bedoeld. Hoe zou God ook een van zijn kinderen
vergeten
hebben ! En toch zoeken velen rusteloos naar een klein klein plekje,
dat
God voor hen open gelaten heeft.
omdat de Papalagi het
gebod Gods
niet horen en er niet naar luisteren en zich een eigen wet maken,
daarom
zendt God hun vele vijanden van hun eigendom. Hij zendt hun regen en
hitte
om zijn mijn te verstoren ; het veroudert en brokkelt af en het verrot.
Ook geeft God het vuur en de storm macht over hun mijn. En, wat erger
is
dan al het andere, hij legt de angst in de ziel der Papalagi. De angst,
dat is het voornaamste, wat hij zich verworven heeft. De slaap van een
Papalagi is nooit diep want hij moet oppassen, dat niet Is nachts wordt
weggehaald, wat hij overdag bijeen heeft vergaard. Voortdurend moeten
zijn
handen en zintuigen zijn mijn vasthouden aan alle kanten. En de hele
dag
plaagt hem zijn mijn en lacht hem uit en roept hem toe, omdat ge mij
God
afgenomen hebt, daarom martel ik u en bezorg u allerlei verdriet.
Maar nog een zwaardere
straf dan
de angst heeft God de Papalagi opgelegd. Hij zond hun de strijd tussen
hen, die weinig of geen mijn hebben en hen, die een groot mijn genomen
hebben. Die strijd is heet en zwaar en woedt dag en nacht. Het is de
strijd
waaronder allen lijden en die de levensvreugde stuk knaagt. Die veel
hebben,
moeten wat afgeven, maar ze willen niet. Die niets bezitten , willen
ook
hun deel hebben, maar ze krijgen niets. Ook zij zijn zelden strijders
voor
God. Meestal zijn het mensen die bij het verdelen van de buit te laat
gekomen
zijn of die te onhandig waren of geen gelegenheid hebben gehad iets te
veroveren. Dat ze eigenlijk God bestelen, daaraan denkt niemand. En
slechts
zelden staat er een rechtvaardig man op, die de mensen aanspoort weer
alles
te leggen in de handen van God.
0 broeders, wat denkt ge
van een
man, die een hut heeft, groot genoeg voor een heel Samoadorp en een
zwerver
niet wil toestaan te overnachten onder zijn dak?
Wat denkt ge van een
man, die een
tros bananen in handen heeft en niet een enkele vrucht geven wil aan de
hongerige, die er om smeekt? - Ik zie toorn in uw ogen en verachting op
uw lippen. Weet : zo handelen de Papalagi iedere dag en ieder uur. Al
heeft
hij honderd matten, hij geeft er niet één aan zijn
broeder
die er geen heeft. Nee, hij maakt er zijn broeder nog een verwijt van,
dat hij geen mat bezit. Al is zijn hut tot aan de nok van het dak vol
eetwaren,
zo vol, dat hij en zijn aiga het in jaren niet op kunnen eten, toch zal
hij niet zoeken naar broeders, die niets te eten hebben, die bleek
zijnen
hongerig. En vele Papalagi zijn bleek en hongerig.
De palm werpt zijn
bladeren en vruchten
af, wanneer zij rijp zijn. De Papalagi leven als een palm, die zijn
bladeren
en vruchten vasthoudt en zegt : die zijn van mij ! Niets daarvan mogen
de mensen opeten Hoe zou zulk een boom nieuwe vruchten kunnen dragen?
De
palmen zijn wijzer dan de Papalagi.
Ook onder ons zijn er
velen, die
meer hebben dan anderen en wij eren de hoofdman die vele matten en vele
zwijnen heeft. Maar die eer geldt alleen hem zelf en niet zijn matten
en
zijn zwijnen want die hebben wij zelf hen ten geschenken gegeven om
onze
vreugde te tonen en zijn grote dapperheid en wijsheid te eren. Maar de
Papalagi vereren hun broeder, omdat hij veel zwijnen en veel matten
heeft,
naar zijn dapperheid en zijn wijsheid vragen ze niet. Een Papalagi
zonder
zwijnen en zonder matten wordt zelden of nooit geëerd.
Aangezien de matten en
de zwijnen
niet vanzelf naar de armen en hongerigen toe kunnen lopen, zien de
Papalagi
ook geen reden, ze naar zijn broeders toe te brengen. Want hij heeft
geen
eerbied voor de broeder, alleen voor de matten en de zwijnen en die
behoudt
hij liefst voor zichzelf. Wanneer hij zijn broeder liefhad en eerde en
niet met hem in strijd leefde over het mijn en dijn, dan zou hij hem
matten
brengen, zodat hij zich mee verheugen kon over zijn grote mijn. Zijn
eigen
mat zou hij met hem delen, inplaats van hem naar buiten te jagen in de
donkere nacht.
Maar de Papalagi weten
niet, dat
God ons de palmen, de bananen , de kostelijke taro, alle vogelen des
wouds
en alle vissen der zee gegeven heeft, om er ons allen te zamen over te
verheugen en er gelukkig mee te zijn. Maar dat Hij ze niet gegeven
heeft
voor enkelen, terwijl de anderen nood en gebrek lijden. Wier God veel
in
zijn handen gegeven heeft, die moet daarvan zijn broeder meegeven,
anders
verrot de vrucht in zijn hand.
Want God reikt alle
mensen zijn
vele handen, hij wil niet, dat de een zeer veel meer heeft dan de
ander,
of dat iemand zegt ik sta in de zon en gij behoort in de schaduw. Wij
allen
horen in het volle zonlicht thuis. Waar God alles houdt in zijn
rechtvaardige
handen, daar is geen strijd en geen nood. Nu willen de slimme Papalagi
ons ook wijsmaken : Aan God behoort niets ! U behoort toe, wat ge vast
kunt houden met uw handen Maar laten wij onze oren sluiten voor zulke
dwaze
woorden en vasthouden aan ons verstandig inzicht: alles behoort aan God.
Naschrift :
De verachting van
Tuiavii voor onze
begrippen van eigendomsrecht zal ieder begrijpen, die weet dat de
inboorlingen
der Samoa-eilanden in volledige gemeenschap van goederen leven. Het
begrip
van mijn en dijn kennen ze eenvoudig niet. Op al mijn reizen hebben de
inboorlingen steeds hun hut, hun mat, hun eten, alles als
vanzelfsprekend
met mij gedeeld.
En vaak waren de eerste
woorden,
die bij de begroeiing een opperhoofd tot mij sprak : " Al het mijne is
het uwe ". Het begrip " stelen" kennen de eilandbewoners dan ook niet.
Alles behoort aan allen. Alles behoort God.
Hoofdstuk 7
DE GROTE GEEST
IS STERKER DAN DE
MACHINES
De Papalagi maken
vele dingen, die
wij niet kunnen maken, die wij ook nooit zullen kunnen maken, die we
niet
begrijpen, die voor onze
hoofden
niets anders zijn dan zware stenen. Dingen, die wij ook helemaal niet
wensen
te bezitten, maar die zwakken onder ons toch bewonderen en een
misplaatst
gevoel van deemoed geven. Daarom willen we onbeschroomd de wonderbare
kunsten
van de Papalagi bespreken. De Papalagi hebben het vermogen alles te
maken
tot hun speer en hun knots. Ze nemen de wilde bliksemstraal, het hete
vuur
en het snelle water en onderwerpen alles aan hun wil. Ze sluiten ze op
en geven ze bevelen. Zij gehoorzamen. Ze zijn hun sterke
krijgsknechten.
De Papalagi zijn in staat de wilde bliksemstraal nog sneller en
lichtender
te maken, het hete vuur nog heter, het snelle water nog sneller dan ze
al zijn.
De Papalagi schijnen
werkelijk de
doorbrekers van de hemel te zijn , (28) de boden Gods want zij
beheersen
de hemel en de aarde naar hun wil.
De Papalagi is vis en
vogel en worm
en paard tegelijk. Hij boort zich in de aarde, onder de breedste
zoetwaterstromen
door. Hij kruipt door de bergen en de rotsen, hij bindt onder zijn
voeten
ijzeren wielen en jaagt voort, sneller dan het snelste paard. Hij
stijgt
op in de lucht, hij kan vliegen. Ik heb hem zien scheren langs de hemel
als een zeemeeuw. Hij heeft een grote kano om op het water te varen,
hij
heeft ook een kano om onder het water door te varen. Hij vaart met zijn
kano van de ene wolk naar de andere.
Geliefde broeders, ik
spreek met
deze woorden de waarheid en gij moet uw dienstknecht geloven, ook
wanneer
uw zintuigen betwijfelen of alles waar kan zijn wat ik tot u zeg. Want
groot en zeer bewonderenswaardig zijn de dingen der Papalagi en ik
vrees,
dat er velen onder ons zullen zijn, die beven voor zoveel kracht. En
waar
zou ik moeten beginnen, als ik u alles wilde beschrijven, wat mijn
verwonderde
ogen hebben gezien.
Gij allen kent de grote
kano, die
de blanken stoomboot noemen. Lijkt ze niet op een geweldig grote vis?
Hoe
is het mogelijk, dat ze sneller van het ene eiland naar het andere
vaart
dan de sterkste van onze jongelingen een kano roeien kan. Hebt ge de
grote
staartvin aan de achterkant wel eens gezien bij het wegvaren? Die
beweegt
precies als bij de vissen op de lagunen. En die vin stuwt de kano
voort.
Hoe dat mogelijk is, is het grote geheim van de Papalagi. Het geheim
rust
in de buik van de grote vis. Daar zit de machine, die de grote vis
kracht
geeft. De machine, daarin schuilt de grote kracht. Mijn hoofd is niet
sterk
genoeg om u duidelijk te maken wat een machine is.
Dit alleen weet ik Ze
vreet zwarte
stenen en geeft in ruil daarvoor haar kracht, een kracht zo groot, als
geen mens ooit bezitten kan.
De machine is de
sterkste knots
der blanken. Geef haar de zwaarste ifiboom uit het oerwoud, de machine
slaat de stam aan stukken, zoals een moeder de tarovrucht voor haar
kinderen
in stukken slaat. De machine is de grote tovenaar van Europa. Haar hand
is sterk en wordt nooit moe.
Wanneer ze wil kan ze
honderd, ja
duizend tanoën snijden op een dag. Ik heb haar lendeschorten zien
weven, zo sierlijk en fijn alsof de teerste handen van een jonkvrouw ze
geweven hadden. Ze vlocht van de morgen tot de avond. Ze spoog lende
schorten
uit, een hele heuvel ! Jammerlijk klein is onze kracht, vergeleken bij
de geweldige kracht van de machine. De Papalagi zijn tovenaars. Zing
hen
een lied, ze vangen het op en geven het u terug, ten allen tijde dat
gij
het wenst. Ze houden u een stuk glas voor en vangen daarop uw
spiegelbeeld.
En duizendmaal nemen zij uw beeld daarvan af, zo vaak als ge maar wilt.
Nog grotere wonderen heb
ik gezien.
Ik heb u gezegd, dat de Papalagi de bliksemstralen van de hemel
opvangt,
dat is werkelijk waar. Hij vangt ze, de machine moet ze opvreten en Is
nachts spuwt ze ze weer uit als duizend sterretjes, gloeiwormpjes en
kleine
manen. Het zou voor de Papalagi een kleinigheid zijn onze eilanden Is
nachts
met licht te overgieten, zodat het er niet donkerder was dan overdag.
Vaak
zenden zij de bliksemstralen weer uit in hun dienst, zeggen hen,
waarheen
zij gaan moeten en geven hen een boodschap mee voor hun broeders in de
vreemde. En de bliksemstralen gehoorzamen en brengen de boodschap over.
Al zijn ledematen heeft
de Papalagi
sterker gemaakt. Z' n handen reiken tot over de zee en tot aan de
sterren
en zijn voeten halen wind en golven in. Zijn oor hoort ieder gefluister
in Savii en zijn stem heeft vleugels als een vogel. Zijn oog ziet zelfs
in de nacht. Hij kan door zichzelf heen zien alsof zijn vlees
doorzichtig
was en ieder vuiltje op de bodem van dat water ziet hij. Dit alles,
waarvan
ik getuige geweest ben en wat ik u verkondig, is slechts een klein deel
van wat mijn oog met bewondering heeft mogen aanschouwen. En ik zeg u,
de blanken stellen er een eer in telkens nieuwe en sterkere wonderen te
volbrengen en duizenden zitten 's nachts op en denken na, hoe zij God
nog
op andere wijze overwinnen kunnen. Want dat is het ; de grote Geest
willen
zij verslaan en zijn krachten veroveren voor zichzelf. De Papalagi
steken
God naar de kroon. Maar nog altijd is God sterker dan de grootste
Papalagi
en zijn kunstige machine en nog altijd bepaalt Hij, wie van ons sterven
moet en wanneer wij sterven moeten. Nog dienen zon, water en vuur in de
eerste plaats God. En nog nooit is er een blanke in geslaagd het
opkomen
van de maan of de richting van de wind te regelen naar zijn goeddunken.
En daarom zijn die
wonderen zo vreselijk
belangrijk niet. En een zwakkeling, geliefde broeders, is de
eilandbewoner,
die zich laat verblinden door de wonderen der blanken, die de blanke
aanbidt
terwille van zijn werken en zichzelf arm en onwaardig noemt, omdat zijn
handen en zijn geest niet vermogen iets dergelijks te vervaardigen.
Want
hoezeer onze ogen ook de wonderen en de bekwaamheden van de Papalagi
bewonderen,
in het stralende zonnelicht bezien betekenen ze niet veel meer dan het
vlechten van een mat of ,het snijden van een knots ; al onze arbeid is
als het spelen van een kind in het zand. Want niets, wat de blanke
heeft
vervaardigd, kan ook maar in de verste verte vergeleken worden met de
werken
van de grote Geest. Heerlijk en geweldig en prachtig versierd zijn de
hutten
der hoge alii, die paleizen worden genoemd en schoner nog de hoge
hutten,
die God ter ere worden opgericht en die vaak hoger zijn dan de top van
de Tofua (29). En toch, ze zijn grof en ruw en missen het warme
levensbloed,
als we ze vergelijken met een hibiscusstruik met zijn vlammend rode
bloesems,
met de kroon van een palmboom of met de van kleuren en vormen dronken
wouden
der koralen. Nooit nog is het de Papalagi gelukt zijn weefsels zo fijn
te spinnen als God in elke spin spint en geen enkele machine is zo
kunstig
en zo fijn als de kleine zandmier, die leeft in onze hutten.
Ik heb u gezegd : de
blanken vliegen
naar de wolken als een vogel. ‘Maar toch vliegen de meeuwen hoger en
sneller
dan de mens en zij kunnen vliegen ook als het stormt en hun vleugels
komen
uit hun lichaam, terwijl de vleugels der Papalagi slechts namaak zijn
en
gemakkelijk kunnen breken en afvallen.
Zo hebben al zijn
wonderen toch
ergens een zwakke plek en er bestaat geen machine, die geen bewakers en
geen aandrijvers nodig heeft. En allen dragen in hun binnenste een
verborgen
vloek, want wel maakt de machine met haar sterke handen alle dingen
maar
ze vreet bij haar arbeid de liefde weg, die elk ding dat onze handen
gemaakt
hebben, in zich bergt. Wat geef ik om een kano of een knots, die een
machine
voor me heeft gesneden, een koud, bloedloos wezen, dat niet van haar
arbeid
spreken kan, niet glimlacht als ze gereed is, en haar werk niet naar
moeder
of vader dragen kan om het te laten bewonderen. Zou ik mijn tanoa
kunnen
liefhebben, zoals ik haar nu liefheb, wanneer de machine ieder ogenblik
zonder mijn toedoen een nieuwe voor mij zou kunnen maken? Dat is de
grote
vloek van de machine ; de Papalagi hebben niets meer lief, omdat de
machine
alles dadelijk weer nieuw voor hen maken kan. Met hun eigen hartebloed
moeten zij haar voeden om haar harteloze wonderen te kunnen ontvangen.
De grote Geest wil zelf
de krachten
van hemel en aarde hun bestemming geven en ze naar zijn goeddunken
verdelen.
Geen mens heeft daartoe het recht. Niet straffeloos kan een blanke
beproeven
zich zelf te veranderen in een vis of een vogel, een paard of een worm.
Zijn gewin is veel kleiner dan hij zichzelf bekennen durft. Als ik door
een dorp rijd, kom ik wel snel vooruit, maar als ik loop zie ik alles
beter
en roepen mijn vrienden mij binnen in hun hutten.
Snel zijn doel bereiken
is zelden
werkelijk een voordeel. De Papalagi willen altijd snel het doel van hun
tocht bereiken. De meeste van hun machines hebben niets anders ten doel
dan de mensen snel te verplaatsen. Maar als zij het einddoel van hun
tocht
bereikt hebben, roept hen dadelijk een nieuw. Zo jagen de Papalagi
rusteloos
door het leven, steeds meer verteren ze het lopen, het wandelen en
nooit
gaan ze m et een glimlach het doel tegemoet, dat op ons afkomt, zonder
dat wij het hebben gezocht.
Daarom zeg ik u ; de
machine is
een aardig stuk speelgoed van grote blanke kinderen en al hun kunsten
moeten
ons niet bang maken. De Papalagi hebben nog altijd geen machine
uitgedacht,
die hen tegen de dood beschermen kan. Nog niets hebben ze gedaan of
gemaakt,
dat groter is dan wat God ieder uur maakt en doet. Alle machines en
toverkunsten
hebben nog nooit een mensenleven verlengd of hem vrolijker en
gelukkiger
gemaakt. Laten wij ons daarom houden aan de wonderbare machines en de
hoge
kunsten van God en laat ons de blanke, die zelf voor God spelen wil,
verachten.
Hoofdstuk 8
HET BEROEP VAN DE
PAPALAGI
EN DE VERWARRING
DIE DAARDOOR WORDT
GESTICHT
iedere Papalagi heeft
een beroep.
Het is moeilijk nauwkeurig te zeggen, wat dat is. Het is iets, waartoe
men grote lust behoorde te hebben, maar waar men meestal geen lust in
heeft.
Een beroep hebben, dat is :altijd hetzelfde doen. Het zo vaak doen, dat
men het met gesloten ogen en zonder de minste inspanning doen kan.
Wanneer
ik met mijn handen niets doe dan hutten bouwen of matten vlechten, dan
is hutten bouwen of matten vlechten mijn beroep, mijn vak. Er zijn
mannelijke
en vrouwelijke beroepen. Kleren wassen in de lagunen en voethuiden
glimmend
maken zijn vrouwelijke beroepen, met een schip over zee varen of duiven
schieten in het woud zijn mannelijke beroepen. De vrouw geeft meestal
haar
beroep op, zodra zij trouwt, de man begint het dan pas goed uit te
oefenen.
Een alii geeft zijn dochter slechts aan een vrijer, die zich goed in
zijn
beroep geoefend heeft. Een Papalagi zonder beroep kan niet trouwen.
Iedere
blanke man moet heel beslist een beroep hebben.
Daarom moet iedere
Papalagi, lang
voor de tijd dat een jongen zich laat tatoeëren, kiezen welk werk
hij heel zijn verdere leven zal doen. Dat heet : een vak kiezen. Het is
een heel gewichtige aangelegenheid en de aiga spreekt er evenveel over
als over de vraag, wat hij de volgende dag het liefst wil eten. Kiest
hij
nu bijvoorbeeld het beroep van mattenvlechter, dan brengt de oude alii
de jongen naar een man, die ook niets doet dan matten vlechten. Die man
moet de jongeling wijzen, hoe een mat wordt gevlochten. Hij moet hem
leren
een mat te vlechten zoals hij dat doet, zonder er naar te kijken. Dat
leren
duurt vaak lang, maar zodra hij het kan, gaat hij weer van de man weg
en
dan wordt er gezegd : hij kent een vak. Als een Papalagi later gaat
begrijpen,
dat hij liever hutten zou willen bouwen dan matten vlechten, wordt er
gezegd
: hij heeft zijn roeping gemist d. w. z. hij heeft zijn doel voorbij
geschoten.
Dat is heel droevig want het is tegen de goede zeden eenvoudig een
ander
vak te kiezen. Het is een schande voor een Papalagi te zeggen : ik kan
dat niet, ik heb er geen lust in of : mijn handen willen dat niet doen,
al beveel ik het hen.
Bij de Papalagi bestaan
er evenveel
beroepen als er stenen liggen in de lagunen . Van elke bezigheid maakt
hij een beroep. Wanneer iemand de bladeren van een broodvruchtboom
verzamelt,
dan is dat een beroep. Wanneer iemand eetgerei afwast, is het een
beroep.
Alles wat gedaan wordt, is een beroep. Met de handen of met het hoofd.
Het is ook een vak gedachten te hebben of naar de sterren te kijken. Er
bestaat eigenlijk niets, wat een man doen kan, of de Papalagi hebben er
een beroep van gemaakt.
Wanneer een blanke zegt
: ik ben
een tussitussi (30) dan is dat een beroep, hij doet dan niets anders
dan
de ene brief na de andere schrijven.
Hij draagt zijn slaapmat
niet op
de balken, hij gaat niet naar het kookhuis om een vrucht te braden, hij
reinigt zijn eetgerei niet. Hij eet vissen, maar hij gaat niet zelf
vissen,
hij eet vruchten maar hij breekt nooit zelf een vrucht van de boom. Hij
schrijft de ene tussi na de andere want zijn beroep is tussitussi. En
al
die andere bezigheden zijn ook beroepen : het naar de balken brengen
van
de slaapmatten, het vruchtenbraden, het eetgerij reinigen, het vissen
vangen
en het vruchten breken. En alleen wie dat beroep uitoefent heeft
feitelijk
het recht, het te doen.
Zo komt het, dat de
meeste Papalagi
alleen doen kunnen, wat hun vak is en het opperhoofd, die veel wijsheid
heeft in zijn hoofd en veel kracht in zijn arm niet in staat is een mat
naar de balken te dragen of zijn eetgerei te reinigen . En zo komt het
ook, dat de man die een kleurige tussi schrijven kan, daarom nog niet
in
staat behoeft te zijn met een kano over het water te varen en
omgekeerd.
Een beroep hebben betekent alleen lopen, alleen proeven, alleen ruiken,
alleen vechten, altijd maar één ding kennen. Dat
maar-een-ding-kennen
is een groot gevaar en een groot gebrek, want iedereen kan wel eens een
kano over de lagunen Moeten sturen.
De grote Geest heeft ons
onze handen
gegeven om vruchten van de bomen te plukken en taroknollen uit het
moeras
te halen. Hij gaf ze ons om ons lichaam te verdedigen tegen vijanden en
om er ons mee te verheugen bij de dans en het spel en bij andere
feestelijkheden.
Maar hij gaf ze ons zeker niet om alleen vruchten mee te breken of
alleen
knollen te halen, ze moeten onze dienaren en onze krijgsknechten zijn
ten
alle tijde.
Maar dat begrijpen de
Papalagi niet.
Dat hun manier van leven fout is en geheel in strijd met de wil van de
grote Geest, kunnen we duidelijk zien want er zijn blanken, die niet
meer
lopen kunnen, die aan het onderlijf vet aanzetten als een varken, omdat
ze door hun vak gedwongen zijn steeds te zitten, die de kleinste speer
niet meer opheffen en wegwerpen kunnen, omdat hun hand alleen de
schrijfbot
vast kan houden, omdat ze altijd in de schaduw zitten en tussi
schrijven;
die geen wild paard meer beteugelen kunnen omdat ze altijd opzien naar
de sterren of gedachten opgraven uit zichzelf.
Slechts een enkele
Papalagi kan
nog springen en draven als een kind, wanneer hij een man geworden is.
Bij
het lopen slepen ze hun lichaam langs de lucht en bewegen zich voort
alsof
ze voortdurend zware lasten moeten dragen. Ze loochenen en verbloemen
hun
zwakheid en zeggen, dat draven, springen en huppelen niet past voor een
waardig man. Maar dat is huichelarij ; zijn beenderen zijn hard en
onbeweeglijk
geworden, de vreugde heeft zijn spieren verlaten, omdat het beroep ze
tot
slapen en tot de dood veroordeelt. Ook het beroep is een situ, die het
leven vernietigt. Een situ, die de mensen schone beloften toefluistert,
maar het bloed uit zijn lichaam zuigt. En het beroep schaadt ook op
andere
wijze de Papalagi en doet zich telkens weer als aitu kennen.
Het is b. v. heerlijk
een hut te
bouwen, in het bos bomen te hakken en tot palen te snijden, de palen op
te zetten, het dak daarover te leggen en tenslotte als de palen en de
draagbalken
goed met kokosvezels verbonden zijn alles dicht te dekken met droge
bladeren
en stengels van suikerriet. Ik behoef u niet te zeggen, dat het een
grote
vreugde is, wanneer het dorp het huis voor zijn Opperhoofd bouwt en
zelfs
vrouwen en kinderen aan dat feest deelnemen.
Maar als nu slechts
enkelen van
ons naar het bos mochten gaan om bomen te vellen en die tot palen te
snijden?
En die enkelen werd het verboden mee te helpen de palen op te richten,
omdat het hun vak was, alleen maar bomen te vellen en er palen van te
maken?
En de anderen die de palen oprichten, mochten niet helpen het dak te
vlechten,
omdat het hun vak was alleen palen op te richten? En de mannen die het
dak vlechten, mochten niet helpen het te dekken met suikerriet, want
het
is hun vak, twijgen te vlechten? En geen van die allen mocht helpen,
kiezel
te halen van het strand ,om de bodem hard te maken, want dat was het
werk
van de mannen die daarvan hun vak hadden gemaakt? En alleen de bewoners
mochten de hut inwijden met een feest maar de velen, die de hut hebben
helpen bouwen, mochten daaraan geen deel nemen? Gij lacht en zeker
zouden
wij hier zeggen wanneer wij niet mogen meehelpen bij alles, waarvoor
mannenkracht
nodig is, dan is onze vreugde maar half, neen, dan is onze vreugde weg
! En als een dwaas zouden wij de man bespotten, die van ons verlangde
onze
hand maar voor één enkel doel te gebruiken en te doen
alsof
alle andere ledematen en zintuigen van ons lichaam verlamd en dood
waren.
Dat is een oorzaak van
de bittere
ellende der Papalagi. Het is heerlijk, een enkele maal aan de beek
water
te scheppen ; het is zelfs heerlijk het een paar maal per dag te doen,
maar wie van zonsopgang tot zonsondergang scheppen moet en iedere dag
opnieuw
en ieder uur, zolang hij er de kracht toe heeft, en altijd maar weer
moet
scheppen, die zal tenslotte het schepvat in woede wegslingeren,
verbitterd
over de slavernij van zijn lichaam. Want niets valt de mens zo zwaar
dan
altijd weer hetzelfde te moeten doen.
Maar er zijn Papalagi
die niet dag
in dag uit aan dezelfde bron water scheppen, dat zou voor hen nog een
heerlijkheid
zijn, neen, er zijn er, die alleen hun hand opheffen en weer laten
vallen
of tegen een stok stoten en dat moeten ze doen in een vuil verblijf,
waar
geen lucht of zon doordringt ; die niets doen waarbij ze hun krachten
behoeven
in te spannen of dat vreugde geeft, maar toch is, volgens het denken
van
de Papalagi dat opheffen en dat laten zakken en dat stoten
noodzakelijk,
omdat daardoor misschien een machine in beweging gezet of geregeld
wordt,
die kalkringen afsnijdt of borstschilden vervaardigt, broekschelpen
maakt
of iets anders. Er zijn in Europa meer mensen dan palen op onze
eilanden,
wier gezichten asgrauw zijn omdat ze geen vreugde van hun arbeid
kennen,
omdat hun beroep al hun vreugde wegvreet, omdat ze, hoelang ze ook
werken
nooit iets maken, niet eens een blad, om zich over te verheugen. Daarom
brandt in de mensen die een beroep hebben een gloeiende haat. In hun
harten
leeft iets, dat is als een wild dier, dat door een keten wordt
vastgehouden,
dat rebelleert en dat toch niet los kan komen. Vol haat en afgunst
meten
ze de beroepen van elkander af, er wordt van hogere en mindere beroepen
gesproken, hoewel alle beroepen de mensen dwingen, half werk te doen.
Want
een mens is nu eenmaal geen hand of voet of hoofd alleen, hij is alles
tezamen. Alleen als alle ledematen en alle zintuigen samen een werk
doen,
dan alleen kan een mensenhart gezond zijn en zich verheugen, nooit als
er maar een deel van de mens leven mag en het overige dood moet zijn.
Dat
kweekt verwarde, zieke, vertwijfelde mensen.
De Papalagi leeft in
verwarring
met zijn vak. Dat wil hij niet weten en zeker zou hij mij, als hij mij
zo hoorde spreken, een dwaas noemen, omdat ik rechter zijn wil, zonder
ooit zelf een beroep gekend te hebben of ooit maar een dag gewerkt te
hebben
als een Europeaan.
Maar de Papalagi hebben
ons nooit
kunnen verklaren en uitleggen, waarom wij meer zouden moeten werken dan
God van ons verlangt om onze honger te stillen, een dak boven ons hoofd
te hebben en de feesten op het dorpsplein te kunnen genieten. Weinig
moge
onze arbeid schijnen en ons bestaan arm aan beroepswerk, maar elke
rechtgeaarde
man en broeder van onze eilanden doet zijn arbeid met vreugde, nooit
met
smart. Dan doet hij ze liever in het geheel niet. En dat is het, wat
ons
van de blanken onderscheidt. De Papalagi zuchten, wanneer ze van hun
werk
spreken, alsof zij door een last werden neergedrukt; zingend trekken de
jongelingen naar het taroveld, zingend reinigen de jonkvrouwen de
lendeschorten
aan de snelvlietende beek. De grote Geest wil zeker niet, dat wij grijs
worden van een beroep en rondkruipen als de padden en de kleine slakken
uit de lagunen. Hij wil, dat we trots en recht al ons werk doen en
altijd
mensen blijven met vrolijke ogen en bewegelijke ledematen.
Hoofdstuk 9
DE PLAATSEN VAN
SCHIJNLEVEN
EN DE VELE PAPIEREN
Mijn geliefde
broeders van de grote
zee, als uw deemoedige dienaar u de volle waarheid over Europa mee
wilde
delen, dan zou hij urenlang moeten spreken. Mijn woorden zouden moeten
zijn als een snelvlietende beek, die stroomt van de morgen tot de avond
en toch zou de waarheid onvolkomen zijn want het leven der Papalagi is
als de zee, waarvan we ook nooit het begin of het einde kunnen
ontdekken.
Het geeft evenveel golven als het grote water, het stormt en bruist,
het
lacht en droomt. Zoals een mens de zee nooit met de holle hand leeg
scheppen
kan, zo kan ik de grote zee Europa niet tot u dragen in mijn kleine
geest.
Maar van een ding wil ik
niet verzuimen
u te berichten want, zoals de zee niet denkbaar is zonder water, zo is
het leven in Europa niet denkbaar zonder de plaatsen van schijnleven en
niet zonder de vele papieren. Wanneer ge de Papalagi die twee dingen
zou
proberen te ontnemen, zou hij zijn als de vissen, die de branding op
het
droge geworpen heeft ; ze kunnen alleen nog trekken met hun vinnen,
maar
niet meer zwemmen en zich bewegen, zoals ze graag doen.
De plaats van het
schijnleven !
Het is niet gemakkelijk u deze plaats, die de blanke "bioscoop" noemt,
te beschrijven ; zo te beschrijven dat ge haar duidelijk voor ogen ziet.
.In iedere
dorpsgemeenschap in geheel
Europa is zulk een geheimzinnig oord, dat de mensen meer liefhebben dan
een zendingskapel, waarvan de kinderen al dromen en waarmee hun
gedachten
zich onbeschrijfelijk graag bezighouden.
De bioscoop is een grote
hut, groter
dan de grootste opperhoofdenhut op Upolu, ja nog veel groter. Het is er
donker, ook op klaarlichte dag zo donker, dat niemand zijn buurman
herkennen
kan. Wie er binnenkomt is verblind en wie eruit komt nog veel meer. De
mensen sluipen er binnen, zoeken, tastend langs de muren hun weg, tot
een
jonkvrouw met een vonk van vuur tot hen komt en hen voert naar waar nog
een plaats is om zich neder te zetten. Daar hokt de ene Papalagi naast
de andere, geen van hen ziet zijn buurman, de donkere ruimte is met
zwijgende
mensen gevuld. Alle aanwezigen zitten op een smal plankje, alle
plankjes
staan naar eenzelfde muur gericht. Van de onderzijde Van die muur, als
uit een diepe ravijn, stijgt een luid gezoem en geschat omhoog en zodra
de ogen aan de duisternis beginnen te wennen, ziet men een Papalagi die
zit te vechten met een kist. Hij slaat haar met uitgespreide handen op
haar vele witte en zwarte tongetjes, die schreeuwen wanneer ze worden
aangeraakt,
elk met een andere stem, zodat het een wild en verward gekrijs wordt,
als
bij een oploop in een dorp.
Dat spektakel moet onze
zinnen verdoven
en afleiden, zodat we geloven wat we zien en niet twijfelen of het
werkelijk
gebeurt. Vlak voor ons, tegen de muur kaatst een straal van licht,
alsof
de volle maan erop schijnt en in die schijn staan mensen, levende
mensen,
die eruit zien en gekleed gaan als gewone Papalagi, die zich bewegen en
heen en weer lopen, lachen en springen, net zoals dat overal in Europa
gebeurt. Het is als een spiegelbeeld van de maan in de lagunen. Ge ziet
de maan en toch is ze het niet. Zo zijn ook dit maar beelden. De mensen
bewegen hun mond, ge twijfelt niet, of ze zeggen iets en toch hoort ge
geen geluid en geen woord, hoe goed ge ook luistert en hoe akelig het
ook
is, niets te horen. En dat is ook zeker de voornaamste reden, waarom
die
Papalagi zijn kist zo ranselt : hij wil daarmee de indruk wekken, dat
de
mensen niet te horen zijn, omdat hij zo'n leven maakt. En daarom komen
er ook zo nu en dan lettertekens op het doek, waaruit op te merken is,
wat de Papalagi gezegd hebben of gaan zeggen.
En toch : die mensen
zijn schijnmensen,
geen echte mensen. Als iemand probeerde ze te grijpen, zou hij merken
dat
ze alleen uit licht bestaan en dat hij ze niet vast kan houden. Ze
bestaan
alleen om de Papalagi al hun vreugden en leed, hun dwaasheid en
zwakheden
te tonen. De schoonste mannen en vrouwen kan hij op deze manier van
nabij
bekijken. Al zijn ze stom, hij ziet toch hun bewegingen en het
schitteren
van hun ogen. Hij kan zich verbeelden dat ze hem zelf aankijken en tot
hem spreken.
Hij ziet de machtigste
opperhoofden
waarmee hij nooit kan samenkomen van zo nabij of ze zijn gelijke zijn.
Hij neemt aan grote eethuldigingen, fono’s en andere feestelijkheden
deel,
hij schijnt er zelf bij tegenwoordig te zijn en mee te eten en mee
feest
te vieren. Maar hij ziet ook, hoe een Papalagi het meisje van een aiga
rooft. Of hoe een meisje een jongeling ontrouw wordt. Hij ziet hoe een
woeste man een rijke alii bij de keel pakt, hoe hij de vingers
diep
in zijn hals drukt, hoe de ogen van de alii beginnen uit te puilen, tot
hij eindelijk dood is en de woeste man zijn rond metaal en zwaar papier
uit zijn lendeschort haalt.
Terwijl hun ogen zulke
heerlijkheden
en zulke gruweldaden zien, moeten de Papalagi doodstil zitten ; hij mag
niet vol woede het ontrouwe meisje schelden, niet de rijke alii te hulp
komen. Maar daar trekt de Papalagi zich niets van aan, tevreden en
vergenoegd
zit hij naar dat alles te kijken, alsof hij geen hart heeft. Hij
schrikt
niet en wordt niet razend. Hij bekijkt dat alles alsof hij zelf een
volkomen
ander wezen is. Want de Papalagi die zitten te kijken, zijn altijd vast
overtuigd, dat zijzelf beter zijn dan de mensen, die zij in het
lichtschijnsel
zien en dat zijzelf nooit de dwaasheid begaan zouden, die hun getoond
wordt.
Stil en zonder lucht in te nemen hangen hun ogen aan de muur en zodra
ze
een sterk hart of een edel beeltenis zien, denken ze dat is mijn
evenbeeld.
Ze zitten geheel onbeweeglijk op hun houten plankjes en staren naar de
steile gladde muur, waarop niets leeft dan de bedrieglijke lichtschijn,
die een tovenaar door een smalle spleet in de achtergrond daarop werpt
en waarop toch zoveel vals leven te zien is.
Dat in zich
opnemen van bedrieglijke
schijnbeelden is voor de Papalagi een groot genot. In de donkere ruimte
kan hij, zonder zich te moeten schamen en zonder dat andere mensen zijn
ogen zien, deelnemen aan een schijnleven. De arme kan spelen dat hij
rijk
is en de rijke dat hij arm is, zieken verbeelden zich gezond te
zijn en zwakken dromen van kracht. In het donker kan iedereen voor zich
veroveren en in een schijnleven doorleven, wat hij in het Kerkelijke
leven
nooit meemaken kan. Voor de Papalagi is, dat opgaan in een schijnleven
een hartstocht geworden, een zo grote hartstocht dat ze het werkelijke
leven daardoor vaak geheel vergeten. Die hartstocht is een ziekte want
een gezonde man wil niet in een donkere zaal een schijnleven lijden
maar
verlangt een warm, echt leven in de stralende zon. Het gevolg van die
hartstocht
is, dat vele Papalagi, als ze uit de donkere zalen naar buiten komen zo
verward zijn, dat ze het werkelijke en het schijnleven niet meer van
elkaar
kunnen onderscheiden en wanen rijk te zijn, als ze in werkelijkheid
niets
bezitten, of menen -schoon te wezen, als hun lichamen lelijk zijn, of
misdaden
bedrijven, waartoe zij in het werkelijke leven nooit zouden gekomen
zijn,
maar die ze doen, omdat ze niet meer kunnen onderscheiden, wat
Werkelijkheid
is en wat schijn. Het is een zelfde toestand, die ge allen bij de
Europeanen
kent, wanneer ze teveel Europese kava hebben gedronken en zich
verbeelden
de golven te lopen.
Ook de vele papieren
brengen de
Papalagi in een soort roes. Wat dat is, de vele papieren? - Stel u een
tapamat voor, dun, wit en opgevouwen, door midden gedeeld en weer
gevouwen,
aan alle kanten dicht beschreven, heel dicht ; zo zijn de vele papieren
of zoals de Papalagi zeggen de kranten.
In die papieren schuilt
de grote
wijsheid der Papalagi. Iedere morgen en iedere avond moet hij er zijn
hoofd
tussen houden om het opnieuw te vullen, om het te verzadigen en te
zorgen,
dat er veel in zit en dat het goed denkt, zoals een paard beter loopt
als
het veel bananen gegeten heeft en zijn lijf flink vol is. Als de alii
nog
op hun mat liggen, draven reeds boden door het land om de vele
papieren
te verdelen. Dat is het eerste waarnaar de Papalagi grijpen als ze de
slaap
van zich gestoten hebben. Hij leest, hij boort de ogen in wat de vele
papieren
vertellen. En dat doen alle Papalagi, ze lezen allemaal. Ze lezen wat
de
opperhoofden en de grote sprekers van Europa op hun fono’s hebben
gezegd.
Dat staat nauwkeurig op de matten vermeld, zelfs als het dwaasheden
zijn.
Ook de lendeschorten, die ze gedragen hebben, worden beschreven en wat
de alii gegeten hebben, hoe hun paard heet en of ze fantastische (31)
of
zwakke gedachten hebben.
Wat daar verteld wordt,
zou in onze
landen ongeveer zo luiden : de pule nuu (32) van Matautu heeft
hedenmorgen
na een goede slaap eerst een rest taro van de vorige avond opgegeten,
daarna
ging hij vissen, keerde 's middags weer naar zijn hut terug, legde zich
op zijn mat en zong en las in de Bijbel tot aan de avond. Zijn vrouw
Sina
heeft eerst haar kind gezoogd, is toen gaan baden en vond op weg naar
huis
een schone Puabloem, waarmee ze haar haren tooide en keerde toen terug
naar haar hut. En zo voort.
Alles, wat er gebeurt en
wat de
mensen doen en niet doen wordt medegedeeld. Hun slechte en hun -goede
gedachten
en of ze een kip of een varken geslacht hebben en een nieuwe kano
hebben
gebouwd. Er gebeurt niets in het hele land, dat niet plichtgetrouw door
de mat wordt oververteld. De Papalagi noemen dat "goed van alles op de
hoogte zijn" Zij willen precies alles weten, wat er van zonsopgang tot
zonsondergang in hun land gebeurt. Zijn verontwaardigd als hen iets
ontgaat.
Alles nemen ze begerig in zich op, hoewel ook allerlei Griezelige en
akelige
dingen vermeld worden, die een gezond mensenverstand liefst zo gauw
mogelijk
weer vergeet. Ja, juist dat slechte, wat een mens pijn doet wordt nog
nauwkeuriger
dan het goede en tot in alle onderdelen beschreven, alsof het niet veel
belangrijker en plezieriger is, iets goeds te vertellen dan iets kwaads.
Wie een krant leest,
behoeft niet
naar Apolina, Manono of Savii te reizen om te weten wat zijn vrienden
doen,
denken en voor feesten vieren. Hij kan rustig op zijn mat blijven
liggen,
de papieren vertellen hem alles. Dat lijkt heel mooi en gemakkelijk,
maar
toch is het maar schijn. Want wanneer ge nu uw broeder ontmoet en
allebei
hebt ge reeds uw hoofd in de papieren gehouden, dan heeft de een de
ander
niets nieuws of bijzonders meer mee te delen, omdat allebei hetzelfde
in
het hoofd dragen. Daarom zwijgt ge allebei of ge herhaalt, wat de
kranten
al gezegd hebben. Maar het blijft altijd veel sterker, een feest mee te
vieren of gezamenlijk een leed te dragen, dan dat alles door een
vreemde
mond te horen vertellen, zonder het met eigen ogen te zien.
Toch is het grote kwaad,
dat de
kranten over onze geest brengen, niet dat ze ons vertellen wat
geschiedt,
maar dat ze ons er ook bij zeggen, wat we over alles denken moeten,
over
onze opperhoofden en de opperhoofden van andere landen, over de
gebeurtenissen
en de daden van andere mensen. De krant probeert van alle mensen
één
hoofd te maken, ze bestrijdt mijn hoofd en mijn denken. Ze wil dat alle
mensen haar hoofd en haar gedachten hebben. En dat weet ze ook te
bewerken.
Wanneer ge 's morgens de vele papieren gelezen hebt dan weet ge 's
middags
precies, wat iedere Papalagi in zijn hoofd draagt en denkt.
De krant is ook een
soort machine,
ze maakt dagelijks vele gedachten, veel meer dan een enkel hoofd er
maken
kan. Maar meestal vervaardigt ze zwakke gedachten, zonder trots en
kracht,
ze vullen wel onze hoofden met veel voedsel, maar ze maken ze niet
sterk.
We zouden ons hoofd even goed met zand kunnen vullen. De Papalagi
stoppen
hun hoofd overvol met zulke nutteloze papiervoeding. Voor hij de ene
nog
van zich af heeft kunnen stoten, neemt hij alweer een nieuwe in zich
op.
Zijn hoofd is als een mangrovemoeras, dat in zijn eigen modder
verstikt,
waarin niets groens of vruchtbaars meer groeit, waar alleen nog kwade
dampen
uit opstijgen en stekende insecten over zoemen.
Het oord van het
schijnleven en
de vele papieren hebben de Papalagi gemaakt tot wat hij is : een zwak,
verdoofd mens, die liefheeft wat schijn is, die de werkelijkheid niet
meer
van de schijn kan onderscheiden, die de weerspiegeling van de maan
aanziet
voor de maan zelf en de dichtbeschreven mat voor het leven.
Hoofdstuk 10
DE ZWARE DENKZIEKTE
Wanneer het woord
"geest" in de mond
der Papalagi komt, worden zijn ogen groot, rond en star, zijn borst
zwelt
hij ademt zwaar en hij strekt zich als een krijgsman, die de vijand
verslagen
heeft.
Want " geest" is
iets waarop
hij bijzonder trots is. Ik spreek nu niet over de grote, geweldige
Geest,
die de zendeling "God " noemt en van wiens beeld wij allen maar een
gebrekkige
weergave zijn, maar van de kleine geest, die de mensen toebehoort en
zijn
gedachten vormt.
Als ik van hier af de
mangoboom
achter de zendingskerk zie, dan is dat geen geest, omdat ik de boom
alleen
zie. Maar als ik opmerk, dat hij groter is dan de kerk, dan is dat
geest.
Ik moet dus niet alleen iets zien, maar ook iets weten. Dát
weten
beoefent de Papalagi van zonsopgang tot zonsondergang. Zijn geest is
steeds
als een gevulde vuurstok of een uitgeworpen hengel. Hij heeft daarom
medelijden
met ons, volkeren van de vele eilanden, omdat wij het weten niet
beoefenen.
In zijn ogen zijn wij arm van geest en dom als de dieren der wildernis.
Het is ook waar, dat wij
weinig
het weten beoefenen, wat de Papalagi "denken" noemt. Maar het is de
vraag,
wie dom is, wie niet veel, of wie te veel denkt. De Papalagi denken
voortdurend.
Mijn hut is kleiner dan de palm. De palm zwiept in de storm. De storm
spreekt
met luide stem. Zo denkt hij, op zijn manier natuurlijk. Maar hij denkt
ook over zichzelf. Ik ben klein van stuk. Mijn hart is altijd vrolijk,
wanneer ik een meisje zie. Ik vind -het heerlijk, op malaga (33) te
gaan.
En zo voort.
Dat is nu alles aardig
en goed en
het heeft misschien ook allerlei voordelen voor wie van dat spel in
zijn
hoofd houdt. Maar de Papalagi denkt zoveel, dat voor hem het denken tot
een gewoonte, een noodzakelijkheid, een dwang wordt. Hij moet altijd
maar
door denken. Slechts met grote moeite slaagt hij erin niet te denken en
met zijn hele lichaam tegelijk te leven. Vaak leeft hij alleen met zijn
hoofd, terwijl zijn hele verdere lichaam in slaap ligt verzonken,
hoeveel
hij ondertussen rechtop loopt, spreekt , eet en lacht. Het denken, de
gedachten
- dat zijn vruchten van het denken - houden hem gevangen, hij is
dronken
van zijn eigen gedachten. Als de zon mooi schijnt, dan denkt hij
voortdurend
: wat schijnt ze mooi ! Dat is verkeerd. Dwaas. Want als de zon
schijnt,
is het beter, niet te denken. Een wijs man strekt zijn lichaam uit in
het
warme licht en denkt daarbij niets. Hij neemt de zon niet alleen met
zijn
hoofd in zich op maar ook met zijn handen en voeten, zijn buik en alle
ledematen. Hij laat zijn huid en zijn ledematen voor zich denken. En
die
denken ook zeker, al doen ze het anders dan het hoofd. Maar de Papalagi
liggen de gedachten vaak in de weg als een groot stuk lava, dat hij
niet
opzij kan duwen. Hij denkt wel vrolijk maar hij lacht er niet bij, hij
denkt wel treurig, maar toch weent hij niet. Hij is hongerig, maar hij
grijpt niet naar taro of palusami. Meestal is hij een mens, wiens
zinnen
in vijandschap leven met zijn geest ; een mens, die in twee delen
uiteenvalt.
Het leven van een
Papalagi lijkt
veel op de bootvaart van een man, die naar Savii vaart en zodra hij de
boot van de oever afstoot denkt : hoe lang zou het duren, voor ik in
Savii
kom? Hij denkt, maar hij ziet het vriendelijke landschap niet, waardoor
hij reist. Aan de linkeroever ontwaart hij een bergrug. Nauwelijks
heeft
zijn oog deze in zich opgenomen of hij kan hem niet meer loslaten. Wat
zou er wel zijn achter die berg? Misschien een diep nauw dal? Door dat
nadenken vergeet hij de bootsliederen der jongelingen mee te zingen ook
hoort hij de vrolijke scherts van de jonkvrouwen niet. Nauwelijks ligt
de bocht met de bergrug achter hem of een nieuwe gedachte begint hem te
plagen. Of er voor de avond nog een storm zou opsteken? Zijn ogen
zoeken
aan de heldere hemel naar wolken. Aldoor denkt hij aan de storm die wel
zou kunnen komen. De storm komt niet en zonder ongevallen bereikt hij
tegen
de avond Savii. Maar nu heeft hij een gevoel of hij de boottocht
helemaal
niet gemaakt heeft want zijn gedachten zijn voortdurend ver van zijn
lichaam
en buiten de boot geweest. Hij had evengoed in zijn hut in Upolu kunnen
blijven. Een geest, die ons op die manier plaagt, is een aitu en ik zie
helemaal niet in, waarom ik hem zo bijzonder zou moeten liefhebben. De
Papalagi hebben de geest lief en vereren hem en voeden hem met
gedachten
uit hun hoofd. Nooit laat hij hem honger lijden maar hij trekt er zich
weinig van aan, als de gedachten elkaar verslinden. Hij maakt veel
geraas
met zijn gedachten en laat ze rumoer maken als slecht opgevoede
kinderen.
Hij doet, alsof zijn gedachten even verheven waren als bloemen, bergen
en wouden. Hij spreekt met een eerbied over zijn gedachten, alsof
daarbij
vergeleken de moed van een man en de liefelijkheid van een meisje niets
te betekenen hebben. Hij gedraagt zich, alsof de mens feitelijk
verplicht
zou zijn, heel veel te denken. Ja, alsof dat een gebod Gods was. Als de
palmen en de bergen denken, dan maken ze daarbij tenminste niet zoveel
leven En zeker zouden de palmen, als ze zo rumoerig en onbeheerst
dachten
als de Papalagi, niet zulke mooie groene bladeren en niet zulke gouden
vruchten dragen. (Want het staat wel vast dat het denken vroeg oud en
lelijk
maakt). De vruchten zouden afvallen voor ze rijp waren. Maar het is
waarschijnlijker,
dat ze heel weinig denken.
En dan zijn er nog
zoveel manieren
van denken en zoveel punten, waarop de pijl in ons denken zich kan
richten.
Treurig is het lot van denkers, wier denken ver weg zweeft. Hoe zal dit
zijn , als het weer morgen wordt? Wat zou de "Grote Geest met
mij
voorhebben, als ik in het Salefé’s (34) kom? Waar was ik, voor
de
boden van Tagalao (35) mij de Agaga (36) schonken? Dat denken is even
nutteloos
als het pogen de zon te zien met gesloten ogen. Het gaat niet. En
evenmin
is het mogelijk in de toekomst of in het verleden tot het einde toe
door
te denken. Dat merken zij, die het beproeven. Van de jaren hunner
jongelingschap
tot hun mannelijke leeftijd hokken ze als ijsvogels op een en dezelfde
plaats, zien de zon niet meer, de wijde zee niet, geen lief meisje,
geen
vreugde, niets, helemaal niets, zelfs de kava smaakt hen niet meer, ze
kijken strak naar de grond. Ze leven niet, hoewel ze ook niet dood
zijn.
Ze zijn aangetast door de vreselijke denkziekte.
Het heet, dat zulk
denken het hoofd
groot en hoog maakt. Als iemand veel en snel denkt wordt er in Europa
gezegd
: hij is een grote kop. In plaats van medelijden met die grote koppen
te
hebben, worden ze bijzonder geëerd. De dorpen benoemen ze tot hun
opperhoofden en waar een grote kop komt, moet hij openlijk voor een
groot
aantal mensen denken, wat alle mensen prachtig en verrukkelijk vinden.
Als een grote kop sterft, is het hele land in rouw gedompeld en wordt
er
veel geklaagd over wat is heengegaan. Er wordt uit rotssteen een
spiegelbeeld
gemaakt van de gestorven grote kop en die wordt op het marktplein voor
aller ogen tentoongesteld. Ja die stenen koppen worden nog veel groter
gemaakt dan ze oorspronkelijk geweest zijn, opdat het volk ze toch maar
flink bewonderen zal en goed voelen hoe klein daarbij vergeleken hun
eigen
hoofden zijn. Wanneer nu aan een Papalagi gevraagd wordt: ."Waarom
denkt
u zoveel? " dan antwoordt hij : " Omdat ik niet dom wil blijven ! "
Iedere
Papalagi, die niet denkt, geldt voor velen, hoewel het toch eigenlijk
verstandig
is, weinig te denken en toch zijn weg te vinden.
Maar ik voor mij ben
overtuigd,
dat dat maar een uitvlucht is en dat de Papalagi boze oogmerken hebben
met hun denken. Hun eigenlijke doel is de krachten van de grote Geest
na
te speuren. Een pogen, dat zij zelf net de welluidende naam
"doorgronden"
aanduiden. Doorgronden, dat betekent iets zo dicht voor ogen hebben,
dat
men er met de neus tegenaan, haast doorheen stoot. Dat doorstoten en
doorwoeien
is een smakeloze en verachtelijke liefhebberij van de Papalagi. Zij
grijpen
een skolopender, doorsteken hem met een kleine speer en trekken hem een
poot uit. Hoe ziet zo'n pootje er uit, als het van het lichaam
gescheiden
is? Hoe was het aan het lichaam bevestigd? Hij breekt het pootje door,
om te zien hoe dik het is. Dat is belangrijk, hoogst belangrijk. Hij
stoot
een stukje, zo groot als een zandkorrel van het pootje af en legt het
onder
een lange buis, die de geheime kracht bezit het ook buitengewoon scherp
te doen zien. Met dat grote, scherpziende oog onderzoeken ze alles, uw
tranen, een stukje van uw huid. Een haar, alles, alles. Al die dingen
verdelen
ze in stukjes, tot ze zo klein zijn, dat er onmogelijk meer iets kan
afgebroken
worden. Hoewel het ding dan de kleinst -denkbare afmetingen heeft
aangenomen,
is het toch hoogst belangrijk, omdat hier het opperste wezen begint,
dat
de grote Geest alleen bezit.
In het rijk van dat
weten binnen
te gaan is ook de Papalagi niet mogelijk en zijn beste toverogen hebben
het niet kunnen doorzien. De grote Geest laat zich zijn geheim niet
ontnemen.
Nooit. Nooit is het iemand gelukt hoger te klimmen dan de palm, waarom
hij zijn benen geslagen had. Altijd moest hij bij de kruin omkeren,
omdat
er geen stam meer was, waarlangs hij nog hoger klimmen kon. De grote
Geest
heeft ook geen welgevallen aan de nieuwsgierigheid van de mensen,
daarom
heeft hij over alle dingen lianen gespannen die zonder einde en zonder
begin zijn. Daarom merkt iedereen, die het denken nauwkeurig naspeurt,
dat hij tenslotte toch altijd dom blijft en aan de grote Geest de
antwoorden
moet laten, die hij zichzelf niet geven kan. De knapsten en dappersten
onder de Papalagi geven dat zelf ook toe. Toch zijn de meeste
denkwellustelingen
niet van hun ziekelijke neigingen te genezen en zo komt het, dat het
denken
de mensen zo vaak aan het dolen brengt, als een man die rondloopt in
een
oerwoud, waar geen paden zijn. Ze denken hun hoofd stuk en het is
werkelijk
voorgekomen, dat ze mens en dier niet meer van elkaar konden
onderscheiden.
Ze beweren dat de mens een dier is en het dier menselijk. Gevaarlijk en
vreselijk is het daarom, dat alle gedachten onverschillig of ze goed
zijn
of slecht, dadelijk op dunne witte matten geslingerd worden. " Ze
worden
gedrukt" zeggen de Papalagi. Dat betekent : de gedachten van die
zieke mensen worden ook nog met behulp van een hoogst geheimzinnige en
kunstige machine, die duizend handen heeft en de sterke wil van vele
opperhoofden,
opgeschreven. En niet één keer, of twee keer, neen, vele
malen, oneindig vele malen, altijd weer dezelfde gedachten. Vele
gedachtenmatten
worden dan in bundeltjes samengeperst, boeken noemen de Papalagi dat -
en naar alle delen van het grote land gestuurd. Allen, die zulke
gedachten
in zich opnemen worden erdoor besmet. En die gedachtenmatten worden
verslonden
als zoete bananen, in elke hut liggen ze, hele kisten worden er mee vol
gepakt en oud en jong knaagt eraan als ratten aan het suikerriet.
Daardoor
komt het, dat zo weinig mensen nog verstandig kunnen denken in
natuurlijke
gedachten, zoals iedere rechtgeaarde Samoa bewoner ze heeft.
Op dezelfde manier
worden in de
hoofden der kinderen zoveel gedachten geschoven als er maar ingaan. Ze
worden gedwongen elke dag een bepaalde hoeveelheid gedachtenmatten op
te
kauwen. Alleen de aller gezondsten stoten die gedachten dadelijk weer
uit
, of laten ze door hun hoofd vallen als door een zeef. Maar de meesten
overladen hun hoofd met gedachten, zodat er geen leeg plekje meer in
overblijft
en geen licht meer in binnenvalt. Dat heet dan : de geest ontwikkelen,
en de toestand van voortdurende verwarring, die erdoor ontstaat heet :
" ontwikkeling ', en is zeer algemeen verbreid. " Ontwikkelen "
betekent
de geest tot aan de rand toe vullen met 'weten ".
Een ontwikkeld man weet
hoe hoog
de palmen zijn, hoe zwaar een kokosnoot weegt, de namen van al zijn
grote
opperhoofden en hoevele oorlogen ze gevoerd hebben. Hij kent de
omvang
van de maan en de sterren en van alle landen. Iedere rivier, ieder dier
en iedere plant kent hij bij zijn naam. Alles, alles, weet hij. Wanneer
ge een ontwikkeld man iets vraagt, schiet hij het antwoord op u af, nog
voor ge de mond gesloten hebt. Zijn hoofd is altijd met munitie
geladen,
is altijd gereed voor een schot. Iedere Europeaan gebruikt het beste
deel
van zijn leven om zijn hoofd te maken tot een snelwerkend kanon. Wie
probeert
niet mee te doen, wordt gedwongen. Iedere Papalagi moet weten, moet
denken.
Het enige, wat die
denkpatiënten
zou kunnen helpen : het wegslingeren van gedachten, het vergeten,
daarin
wordt geen onderricht gegeven en dat kan dan ook bijna niemand. De
meesten
dragen in hun hoofd een zo zware last mee rond, dat hun lichaam er moe
van wordt en krachteloos en verlept voor de tijd. En nu, mijn geliefde
nietdenkende broeders, gevoelt ge na alles wat ik naar waarheid vertelt
heb, werkelijke roeping de Papalagi na te streven en u ook in het
denken
te gaan beijveren als zij? Ik zeg u : neen ! Want we mogen en moeten
niets
doen, wat ons niet sterker van lichaam en onze zinnen niet vrolijker en
beter maakt. We moeten ons hoeden voor alles, wat ons de vreugde aan
het
leven ontroven wil, voor alles, wat onze geest verduistert en er het
blijde
licht uit wegneemt, voor alles wat ons hoofd in strijd kan brengen met
ons lichaam. De Papalagi bewijzen ons met hun leven, dat het denken een
gevaarlijke ziekte is en de waarde van de mens kleiner maakt.
Hoofdstuk 11
DE PAPALAGI
WILLEN ONS NEERTREKKEN
IN HUN DUISTERNIS
Geliefde broeders, er
is een tijd
geweest, dat wij allen in duisternis leefden en niemand van ons het
stralende
licht van het Evangelie kende, toen we ronddoolden als kinderen, die
hun
hut niet vinden kunnen, want ons hart kende de grote liefde nog niet en
onze oren waren doof voor het woord Gods.
De Papalagi hebben ons
het licht
gebracht. Zij zijn tot ons gekomen om ons uit e duisternis te
bevrijden.
Zij voerden ons tot God en leerden ons hem lief te hebben. Wij hebben
hen
daarom vereerd als lichtbrengers sprekers van de grote Geest, die de
blanken
God noemen. Wij erkenden de Papalagi als onze broeders en weerden hen
niet
uit ons land, maar deelden alle vruchten en alle eetwaar met hen als
kinderen
van een vader. Geen moeite is de blanke mannen teveel geweest om ons
het
evangelie te brengen, ook al gedroegen wij ons als weerbarstige
kinderen
en al verzetten wij ons tegen zijn leer. Voor al zijn moeite en voor
alles,
wat zij voor ons geleden hebben, zullen wij hen altijd dankbaar blijven
en hen als onze lichtbrengers vereren.
Het eerste, wat de
zendeling der
Papalagi ons leerde, was hoe God is en hij leidde ons weg van de oude
Goden,
die hij dwaalgoden noemde, omdat in hen niet de ware God leeft. Dus
vereerden
wij de sterren Is nachts niet meer noch de kracht van het vuur en van
de
wind en zochten zijn God, de grote God des hemels.
Toen liet God ons door
de Papalagi
alle vuurstokken en wapenen afnemen, opdat we vredig als goede
Christenen
met elkander leven zouden. Want gij kent allen de wil Gods, dat wij
elkander
liefhebben en niet doden zullen, wat zijn hoogste gebod is. Wij hebben
onze wapens gehoorzaam afgegeven en sindsdien verwoesten geen
krijgsbenden
onze eilanden meer en de een acht de ander als zijn broeder. Wij hebben
ervaren, dat God met zijn bevelen gelijk heeft, want nu leeft vredig
het
ene dorp naast het andere, waar vroeger verdeeldheid heerste en aan de
onrust en de verschrikkingen nimmer een einde kwam. En al leeft nog
niet
in iedereen van ons de Grote God, omdat wij nog niet allen vervuld zijn
van zijn liefde, toch erkennen we met dankbaarheid, dat ons leven
groter
en beter geworden is, sinds wij God vereren als de grote, de
allergrootste
heerser der wereld. Eerbiedig en dankbaar luisteren wij naar zijn wijze
en grote woorden, die ons steeds sterker maken in de liefde, die ons
steeds
meer met zijn grote geest vervullen.
De Papalagi, heb ik
gezegd, hebben
ons dat licht gebracht, dat onze harten in vlammen heeft gezet en onze
zinnen met vreugde en dankbaarheid heeft vervuld.
Zij hebben het licht
gehad, vroeger
dan wij. De Papalagi kenden al het licht, voor nog de oudste van ons
geboren
was. Maar hij houdt het licht slechts in zijn uitgestrekte hand om er
anderen
mee bij te lichten, hij zelf, zijn lichaam, staat in de duisternis en
zijn
hart is ver van God, hoewel zijn mond God aanroept, omdat hij het licht
in zijn handen draagt.
Niets valt mij zwaarder
en vult
mijn hart met meer droefenis dan u dit te moeten verkondigen. Maar wij
willen en wij mogen ons niet laten verblinden door de Papalagi, anders
trekken zij ons mee in hun duisternis. Zij hebben ons Gods woord
gebracht.
Ja. Maar zelf hebben zij Gods woord en Zijn leer niet verstaan. Met hun
mond en hun hoofd hebben zij het verstaan, maar niet met hun lichaam.
Het
licht is niet in hen gedrongen, zodat het van hen uitstraalt, en waar
ze
ook komen alles verheerlijkt wordt door dat licht. Een licht dat men
ook
liefde noemt.
Zelf voelen ze die
valsheid tussen
hun woorden en hun liefde niet. Maar hieraan kunt ge het erkennen, dat
geen Papalagi het woord " God" meer met zijn hart kan uitspreken. Hij
vertrekt
daarbij het gezicht, alsof hij moe is, of hij kijkt onverschillig bij
dat
woord. Wel noemen alle blanken zich kinderen Gods en laten hun geloof
door
wereldlijke opperhoofden op geschreven matten bevestigen. Maar toch is
God een vreemdeling voor hen, al hebben ook allen de grote leer
ontvangen
en weten allen van God. Zelfs de mensen, die over God moeten spreken in
de heerlijke grote hutten, die te zijner ere gebouwd zijn, hebben God
niet
in zich en hun woorden vervagen in de wind en de grote leegte. De
Godsredenaars
vervullen hun preken niet van God en ze spreken als de golven. die
tegen
de riffen slaan niemand hoort ze meer, al bruisen ze voortdurend.
Ik mag het zeggen zonder
Gods toorn
te verwekken : wij kinderen der eilanden waren, toen wij de sterren en
het vuur aanbaden niet slechter, dan de Papalagi nu zijn. Want wij
waren
slecht en wandelden in duisternis, omdat wij het licht niet kenden.
Maar
de Papalagi kennen het licht en wandelen toch in de duisternis en zijn
slecht. Maar het allerslechtste is, dat zij zich kind Gods en Christen
noemen en ons allen doen geloven, dat zij het vuur zijn, omdat
zij
de vlam dragen in hun hand. Een Papalagi denkt zelden aan God. Pas als
een storm hem teistert of zijn levenslamp dreigt uit te doven, denkt
hij
eraan dat er machten zijn, sterker dan hij en hogere heersers dan hij.
's Daags stoort God hem
en hindert
hem bij zijn zonderlinge genoegens en vreugden. Hij weet, dat God die
nooit
zou kunnen goedkeuren en dat hij zich vol schaamte zou moeten
neerwerpen
in het zand, als Gods licht werkelijk in hem was. Want hij is geheel
vervuld
van haat en begeerte en vijandschap. Zijn hart is een grote puntige
haak
geworden, een haak die alleen nog voor roof geschikt is inplaats van
een
licht te zijn -dat de duisternis overwint en verwarmt. Christen noemt
zich
de blanke.
Een woord als een schoon
lied. 0,
konden wij ons ook zo noemen voor alle tijden. Christen zijn betekent
liefde
hebben tot God en tot de broeders en dan pas tot zichzelf. De liefde -
dat is het doen van het goede moet in ons zijn als ons bloed, moet een
geheel met ons zijn als ons hoofd en onze hand. De Papalagi hebben het
woord Christen en God en liefde enkel in de mond. Zij slaan er tegen
met
hun tong en maken er gedruis mee. Maar hun hart en hun liefde buigen
zich
niet voor God, maar voor de dingen, voor het ronde metaal en het zware
papier, voor het wellustige denken en voor de machine. Geen licht
vervult
hen maar een wild vraatzuchtig verlangen naar tijd en naar de
dwaasheden
van hun vak. Tienmaal liever bezoeken zij de plaatsen van schijnleven
dan
naar God te zoeken, die ver, heel ver weg is.
Geliefde broeders, de
Papalagi hebben
op het ogenblik meer afgoden dan wij ooit hebben gehad, tenminste als
een
afgod is, wat wij aanbidden buiten God en vereren en als kostbaarst
bezit
in ons hart dragen. God is voor de Papalagi niet de grootste schat, die
hij in zijn hart draagt. Daarom doet hij ook niet Gods wil maar de wil
van de aitu. Dit zeg ik u als vrucht van mijn denken de Papalagi hebben
ons het Evangelie gebracht als een soort ruilmiddel om daarvoor onze
vruchten
en het schoonste en beste deel van onze eilanden van ons af te nemen.
Naar
mijn mening zijn zij daartoe zeker in staat, want ik heb in het hart
van
de Papalagi veel vuile zonden ontdekt, en weet dat God ons meer lief
heeft
dan hen, die ons "wilden" noemen, een woord dat eigenlijk moet
aanduiden,
dat wij mensen zijn met tanden van een verscheurend dier en zonder hart.
Maar God vloog hen in de
ogen en
scheurde ze uit elkander, om hen ziende te maken. God sprak tot de
Papalagi
: Gij kunt leven zoals ge wilt. Ik maak voor u geen geboden meer. Toen
ging de blanke heen en toonde zich in zijn ware gedaante. 0 schande 0
schrik
! ‘,Met schallende stem en trotse woorden hebben zij ons de wapens
ontnomen
en met God gesproken : Hebt elkander lief. En nu? - 0 broeders, gij
hebt
de vreselijke boodschap gehoord, het goddeloze en liefdeloze en
duistere
gebeuren : Europa vermoordt zichzelf ! De Papalagi zijn razend
geworden.
De een vermoordt de ander. Alles gaat in bloed en angst en
verschrikkingen
ten onder. De Papalagi erkennen eindelijk : ik heb geen God in mijn
binnenste.
Het licht, dat hij in zijn hand droeg dooft uit. Duisternis ligt op hun
wegen, niets is te horen dan de angstaanjagende vleugelslag van de
vliegende
honden en het gekrijs van de uilen.
Broeders, de liefde Gods
en de liefde
tot u allen vervult mij, daarom heeft God mij mijn kleine stem gegeven
om u alles te zeggen, wat ik u gezegd heb. Opdat wij sterk blijven in
ons
zelf en niet worden verleid door de snelle listige tong van de
Papalagi.
Wanneer zij weer tot ons komen, laten wij dan de handen voor ons
uitstrekken
en hen toeroepen : zwijgt gij met uw luide stem, want uw woorden zijn
voor
ons als het bruisen van de branding en als het ruisen van de palmbomen
en niet meer, zolang ge zelf geen blij en sterk gezicht draagt en geen
schitterende ogen, zolang het beeld Gods niet uit u straalt als een zon.
En laat ons een eed doen
en hen
toeroepen blijft ver van ons met uw vreugden en uw lusten, met uw wilde
jacht naar rijkdom die de handen omvatten en naar rijkdom, die het
hoofd
omvat, uw hartstocht, meer te zijn dan uw broeder, uw vele zinneloze
werken,
de doelloze arbeid van uw handen, uw nieuwsgierig denken en weten, dat
toch niets weet, met al uw dwaasheden, die zelfs uw slaap op de mat
onrustig
maken. Dat alles hebben wij niet nodig, wij zijn gelukkig met de edele
en schone- vreugden, die God ons gegeven heeft in ruime mate. God moge
ons helpen dat wij niet verblind worden door zijn licht, en verdwalen,
maar dat het schijne op al onze paden, zodat we kunnen wandelen langs
zijn
wegen en zijn won derbaar licht in ons opnemen, dat is : elkander
liefhebben,
en veel tafola dragen in ons hart.
NOTEN:
(1)
Een Samoaanse
volksdrank, bereid uit de wortels van de Kavastruik
(2)
Godsdienst
(3) Ook
wanneer zij
zijn huisvrouw geworden is, vertoont zij zich uiterst zelden, en dan
nog
’s nachts of in de schemering aan hem. (Kanttekening van Tuiavii).
(4) Een
Mei-koningin
(5) Inlandse
dans.
(6) Tuiavii
meent waarschijnlijk
knopen.
(7) Op reis
(8) Feesten
(9) Heren
(10)
Waarschijnlijk wordt
de rok bedoeld.
(11) Hoofdtooi.
(12) Een boze
geest, de duivel
(13) Familie.
(14) Drie eilanden
die tot
de Samoa groep behoren.
(15) Feesten,
samenkomsten.
(16) Duitsland.
(17) Frankrijk.
(18) Engeland.
(19) Italië.
(20) Gevangenis.
(21) Kranten.
(22) Dom
(23) Geschenk,
beloning.
(24) Een houten
schaal op
vele poten, die gebruikt wordt om een inlandse drank te bereiden.
(25) Zeer vaak
komen de dorpsbewoners
in Samoa samen om te spelen of te dansen. Het dansen wordt de jonge
kinderen
al vroeg geleerd. Ieder dorp heeft zijn liederen en zijn dichters. 's
Avonds
hoort men in iedere hut zingen. Het gezang is welluidend door de taal,
die rijk is aan klinkers, maar ook door het zeldzaam fijne gehoor der
eilandbewoners.
(26) Gevangenis
(27) Heerser
(28) Papalagi
betekent blanke
vreemdeling, woordelijk betekent het " doorbreken van de hemel" De
eerste
blanke zendeling, die in Samoa landde, kwam in een zeilboot. De
inboorlingen
hielden het witte zeil, toen ze het in de verte zagen aankomen, voor
een
gat in de hemel, waardoor de blanke tot hen kwam. Hij doorbrak de hemel.
(29) Een hoge berg
op Upolu.
(30) Tussi:
brief. Tussi-tussi:
briefschrijver.
(31) Een ziekte,
een woekering.
in de spieren, waardoor lichaamsdelen onnatuurlijk opzwellen.
(32) Rechter.
(33) Reis
(34) Onderwereld
(35) De hoogste
god uit de
sage
(36) Ziel

|