Home![]()
Wat is er met de
antipsychiatrie gebeurd De Mythe van de Psychiatrische AfwijkingDoor Thomas S. Szasz (1960)
Noot van de vertaler Thomas
Szasz
publiceerde
dit
essay
onder
de titel: "The Myth of Mental Illness". In de zestiger jaren van
de vorige eeuw had dit nog vertaald mogen worden als "De Mythe van de
Geestesziekte".
Maar dat mag niet meer. Tijden veranderen en daarmee de etiketten, die
dezelfde lading dekken. Gek, krankzinnig en geestesziek, zijn vervangen
door prachtige eufemismen in de DSM-IV (het diagnistisch handboek voor
de psychiatrie). De keuze hier was tussen psychische of psychiatrische
stoornis, afwijking of aandoening, maar in wezen komen die allemaal op
hetzelfde neer en zijn onderling verwisselbaar. Inleiding Het
is
inmiddels
meer
dan
veertig
jaar geleden dat Thomas Szasz dit artikel publiceerde. Er zullen mensen
zijn die zeggen dat het achterhaald is, dat het niet meer van deze tijd
is, dat de wetenschap vooruitgang geboekt heeft en dat we nu wel beter
weten. Niets is minder waar. Nog steeds gaat de wetenschap uit van het
concept dat psychiatrische aandoeningen hersenziekten zijn, genetische
afwijkingen, mutaties, biochemische verstoringen en op zijn best een
combinatie
van die factoren, zonder zich te bekommeren om de vraag waar die
veranderingen
vandaan komen. De Mythe van de Psychiatrische AfwijkingDoor Thomas S. Szasz (1960)Voor
het
eerst
gepubliceerd
in
American
Psychologist, 15, 113-118 De
bedoeling
van
dit
artikel
is de
vraag "bestaat er zoiets als een psychiatrische afwijking?" aan de orde
te stellen en te betogen dat die niet bestaat. Aangezien het begrip
psychiatrische
afwijking tegenwoordig zeer uitgebreid gebruikt wordt, lijkt het in het
bijzonder wenselijk, de manieren waarop deze term gebruikt wordt
te onderzoeken. Vanzelfsprekend is de psychiatrische afwijking niet
letterlijk
een "ding" - of stoffelijk voorwerp - en kan daarom alleen op dezelfde
manier "bestaan" als waarop andere theoretische begrippen
bestaan.
Toch worden bekende theorieën vroeg of laat gewoonlijk - tenminste
door degenen die er in gaan geloven - als "objectieve waarheden" (of
"feiten")
voorgesteld. Tijdens bepaalde historische tijdperken traden verklarende
voorstellingen, zoals goden, heksen en micro-organismen, niet slechts
als
theorieën maar als vanzelfsprekende oorzaken van een heleboel
gebeurtenissen
op. Ik beweer dat hedentendage de psychiatrische afwijking alom op een
enigszins gelijke wijze bekeken wordt, namelijk als de oorzaak van
ontelbare
en uiteenlopende gebeurtenissen. Laten wij ons, als tegengif tegen het
aanmatigende gebruik van het begrip psychiatrische afwijking - hetzij
als
een vanzelfsprekend fenomeen, hetzij als theorie of oorzaak - de
volgende
vraag stellen: wat wordt er bedoeld als er beweerd wordt dat iemand
gestoord
is? De psychiatrische afwijking als een teken van hersenziekte Het
begrip
psychiatrische
afwijking
ontleent
zijn
belangrijkste steun aan verschijnselen zoals
hersensyphilis
of delirante toestanden - bijvoorbeeld vergiftigingsverschijnselen -
waarbij
bekend is dat personen een aantal eigenaardigheden of verstoringen in
denken
en gedrag vertonen. Om precies te zeggen zijn dit echter ziekten van de
hersenen en niet van de geest. Volgens een bepaalde school zijn alle
zogenaamde
psychiatrische afwijkingen van dit type. Men neemt aan dat er
uiteindelijk
een of ander neurologisch defect, misschien een heel subtiel, voor alle
aandoeningen in denken en gedrag gevonden zal worden. Veel
hedendaagse
psychiaters, artsen en andere wetenschappers delen deze mening. Dit
standpunt
houdt in dat mensen geen problemen - uitgedrukt in wat nu
"psychiatrische
afwijking" heet - tengevolge van verschillen in persoonlijke behoeften,
meningen, maatschappelijke ambities kunnen hebben.
"Psychiatrische afwijkingen" worden op die manier wezenlijk niet anders beschouwd dan als alle andere ziekten (dat wil zeggen lichamelijke). Vanuit dit oogpunt is het enige verschil tussen geestelijke en lichamelijke ziekten, dat de eerste, door de hersenen aan te tasten, zich uiten door middel van psychische symptomen; terwijl de laatste, door andere orgaansystemen aan te tasten (bijvoorbeeld de huid, de lever enz.,) zich uiten door middel van symptomen, die verwijzen naar die bepaalde lichaamsdelen. Dit standpunt berust op en geeft, naar mijn mening, uitdrukking aan twee fundamentele vergissingen. Op de eerste plaats: welke symptomen van het centrale zenuwstelsel zouden dan moeten corresponderen met een huiduitslag of een botbreuk? Het kan niet een of andere emotie of ingewikkeld stukje gedrag zijn. Eerder zou dat blindheid of een verlamming van enig lichaamsdeel moeten geven. Het grote probleem is, dat een ziekte van de hersenen, analoog aan een ziekte van de huid of het bot, een neurologisch defect is en geen levensprobleem. Een defect, bijvoorbeeld, in iemands gezichtsveld, kan bevredigend verklaard worden door het in verband te brengen met bepaalde duidelijk omschreven beschadigingen in het zenuwstelsel. Aan de andere kant kan het geloof van iemand - of dat nou zijn geloof in het Christendom, in het Communisme, of in het idee dat zijn inwendige organen "aan het rotten zijn" en dat zijn lichaam in feite al "dood" is - niet verklaard worden uit een defect of ziekte van het zenuwstelsel. Verklaring van dit soort voorvallen - aangenomen dat men belang stelt in het geloof zelf en het niet gewoon als een "symptoom" of uitdrukking van iets anders dat interessanter is, ziet - moet langs andere wegen gezocht worden. De
tweede
vergissing,
die
gemaakt
wordt
door complex psycho-sociaal gedrag, bestaande uit communicatie
over
onszelf en de wereld rondom ons, slechts als symptomen van neurologisch
functioneren te beschouwen, is van epistemologische aard. Het is, met
andere
woorden, een vergissing die geen betrekking heeft op bepaalde fouten in
de observatie of de redenering als zodanig, maar eerder in de manier
waarop
wij onze kennis ordenen en uitdrukken. In dit geval ligt de vergissing
in het scheppen van een symmetrisch dualisme tussen psychische en
fysieke
(of lichamelijke) symptomen. Dat is een dualisme dat alleen maar een
taalgewoonte
is en waarbij geen bekende daarmee corresponderende symptomen gevonden
kunnen worden. Laten we eens kijken of dat zo is. Als we in de
medische
praktijk praten over fysieke ontregelingen, dan bedoelen we óf
signalen
(koorts, bijvoorbeeld) óf symptomen (pijn, bijvoorbeeld). Aan de
andere kant spreken we over psychische symptomen, als we het hebben
over
de communicatie van de patiënt over zichzelf, anderen en de wereld
rondom hem. Hij zou kunnen beweren dat hij Napoleon is of dat hij
achtervolgd
wordt door de Communisten. Dit kunnen alleen als psychische symptomen
beschouwd
worden, als de waarnemer gelooft, dat de patiënt niet Napoleon is
of dat hij niet door de Communisten achtervolgd wordt. Dit maakt
duidelijk,
dat de bewering dat "X een psychisch symptoom is" inhoudt, dat er een
oordeel
gegeven wordt. Dat oordeel brengt bovendien een verkapte vergelijking
of
overeenstemming van de ideeën, opvattingen of geloof van de
patiënt
met die van de waarnemer en van de maatschappij waarin zij leven, met
zich
mee. Het begrip "psychisch symptoom" is daarom onlosmakelijk verbonden
met de maatschappelijke (incluis ethische) context waarin het
gecreëerd
wordt, op precies dezelfde manier waarop het begrip lichamelijk
symptoom
verbonden is met een anatomische en genetische context (Szasz 1957a,
1957b). De psychiatrische afwijking als naam voor levensproblemen De
term
"psychiatrische
afwijking"
wordt
alom
gebruikt om iets, dat heel iets anders dan een hersenziekte
is, te beschrijven. Veel mensen nemen tegenwoordig vanzelfsprekend aan
dat het leven niet eenvoudig is. De last van het leven voor de moderne
mens hangt bovendien niet zozeer af van een strijd om biologisch te
overleven,
als wel door de spanningen en inspanningen, die onlosmakelijk verbonden
zijn met de maatschappelijke omgang van ingewikkelde menselijke
persoonlijkheden.
In dit verband wordt het begrip psychiatrische afwijking gebruikt om
allerlei
eigenschappen van de zogenaamde persoonlijkheid van het individu te
identificeren
of te beschrijven.
Dit is overduidelijk een bedrieglijke redenering, want het maakt de abstractie "psychiatrische afwijking" tot een oorzaak, hoewel deze abstractie zelfs op de eerste plaats in het leven geroepen is om alleen maar als stenografische uitdrukking te dienen voor bepaalde typen van menselijk gedrag. Het wordt zo langzamerhand nodig ons de volgende vraag te stellen: "Wat voor soorten gedrag worden als indicatief voor een psychiatrische afwijking beschouwd en door wie?" De opvatting van ziekte, hetzij lichamelijk of psychisch, houdt een afwijking van een of andere helder gedefinieerde norm in. In het geval van een fysieke ziekte is de structurele en functionele integriteit van het menselijk lichaam de norm. Derhalve kan wat gezondheid is, ofschoon de wenselijkheid van een fysieke gezondheid als zodanig een ethische waarde is, in anatomische en fysiologische termen gesteld worden. Maar wat is de norm, waar het afwijken daarvan als een psychiatrische afwijking beschouwd kan worden? Deze vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Maar wat deze norm ook moge zijn, we kunnen maar van één ding zeker zijn: namelijk dat het een norm is, die vastgesteld moet kunnen worden in termen van psycho-sociale, ethische, en wettelijke opvattingen. Begrippen, bijvoorbeeld als "buitensporige verdringing" of "handelen vanuit een onbewuste impuls" verduidelijken het gebruik van psychologische begrippen bij het oordelen over (zogenaamde) geestelijke gezondheid en ziekte. Het idee dat chronische vijandigheid, wraaklust of echtscheiding duiden op een psychiatrische afwijking kan een illustratie zijn van het gebruik van ethische normen (dat wil zeggen de wenselijkheid van liefde, vriendelijkheid en een evenwichtige huwelijksrelatie). Tot slot illustreert de wijdverbreide psychiatrische mening, dat alleen een psychisch ziek persoon een moord kan plegen, het gebruik van een rechtskundige opvatting als norm voor geestelijke gezondheid. De norm van waaruit, telkens als men het heeft over een psychiatrische afwijking, die afwijking wordt afgemeten, is een psycho-sociale en ethische. Toch wordt de oplossing gezocht in termen van medische maatregelen die - naar men hoopt en aanneemt - vrij zijn van grote verschillen in ethische waarde. De definitie van de afwijking en de voorwaarden waarop naar de behandeling ervan gezocht wordt zijn daarom hevig met elkaar in strijd. De praktische betekenis van dit verhulde conflict tussen de zogenaamde aard van het defect en de behandeling kan nauwelijks overdreven worden. Nu
we
de
maatstaven,
die
in gevallen
van psychiatrische afwijkingen gebruikt worden (bldz.115), hebben
vastgesteld,
keren we terug naar de vraag: "Wie bepaalt de normen en dus de
afwijking?".
Hier kunnen twee basis-antwoorden gegeven worden: (a) Het kan de
persoon
zelf zijn (dat wil zeggen de patiënt) die bepaalt dat hij afwijkt
van een norm. Een kunstenaar bijvoorbeeld kan geloven dat hij aan een
werkblokkade
lijdt; en dan kan hij van deze conclusie werk maken door voor
zichzelf
bij een psychotherapeut hulp te zoeken. (b) Het kan iemand anders dan
de
patiënt zijn, die beslist dat de laatste gestoord is (bijvoorbeeld
verwanten, artsen, wettelijke autoriteiten, de maatschappij in het
algemeen,
etc.). In zo'n geval kan de psychiater door anderen ingehuurd worden om
iets met de patiënt te doen om de afwijking te corrigeren. Deze
overwegingen
onderstrepen het belang van de vraag:
en om op die vraag een helder antwoord te geven (Szasz, 1956,1958). Het wordt nu duidelijk dat de psychiater (psycholoog of niet-medische psychotherapeut) de belangenbehartiger van de patiënt, van de familieleden, van de school, van het leger, van een bedrijfsorganisatie, rechtbank, enzovoorts, kan zijn. Als we dus spreken over de psychiater als belangenbehartiger van deze personen of organisaties, houdt dat niet noodzakelijkerwijs in dat zijn waarden aangaande normen, of zijn ideeën en doelstellingen aangaande de wezenlijke aard van de hulpactie, samenvallen met die van zijn opdrachtgever. Een patiënt kan bijvoorbeeld, in een individuele psychotherapie, geloven dat zijn redding in een nieuw huwelijk ligt; zijn psychotherapeut hoeft deze hypothese niet te delen. Als belangenbehartiger echter van zijn patiënt moet hij zich onthouden van het druk uitoefenen op de patiënt met maatschappelijke of wettelijke drang, om hem ervan te weerhouden zijn geloof in actie om te zetten. Als hij een overeenkomst met de patiënt heeft, kan de psychiater (psychotherapeut) het met hem oneens zijn of hij kan zijn behandeling stoppen; maar hij kan niet anderen inschakelen om de ambities van de patiënt te belemmeren. Evenmin hoeft een psychiater, als hij door de rechtbank wordt ingeschakeld om de gezondheid van een crimineel vast te stellen, helemaal achter de wettelijke waarden en bedoelingen van de autoriteiten ten opzichte van de crimineel en de middelen die hem ten dienste staan om hem te behandelen, te staan. Maar het wordt de psychiater bijvoorbeeld uitdrukkelijk belet te stellen, dat het niet de crimineel is die "ziek" is, maar de mensen, die de wet hebben geschreven, op basis waarvan juist deze daden als "crimineel" veroordeeld worden. Men kan zo'n mening natuurlijk wel vertolken, maar niet in een gerechtszaal en niet door een psychiater, wiens werk bestaat uit het hof in zijn dagelijks werk te assisteren. Kort
samengevat:
in
het
tegenwoordige
maatschappelijk
gebruik, wordt het vinden van een psychiatrische
afwijking
bewerkstelligd, door een afwijking in het gedrag van bepaalde
psycho-sociale,
ethische of wettelijke normen vast te stellen. Die beoordeling kan, net
als in de geneeskunde, door de patiënt, de dokter (psychiater), of
anderen gemaakt worden. De rol van de ethiek in de psychiatrie Alles wat mensen doen - in tegenstelling tot dingen die hen overkomen (Peters, 1958) - vindt plaats binnen een waarde-context. In brede zin is geen enkele menselijke activiteit verstoken van ethische implicaties. Als de waarden, die aan bepaalde activiteiten ten grondslag liggen, alom gedeeld worden, kunnen degenen die aan die activiteiten deelnemen met z'n allen die waarden uit het zicht verliezen. Het vak geneeskunde bevat, net als zuivere wetenschap (onderzoek bijvoorbeeld) en technologie (bijvoorbeeld medische behandeling) veel ethische overwegingen en oordelen. Helaas worden deze vaak ontkend, vergoelijkt, of gewoon uit het gezichtsveld geweerd; want het ideaal van de medische professie, net als dat van de mensen die haar dienen, lijkt te bestaan in het hebben van een zogenaamde waardevrije geneeskunde. Dit fijngevoelige beeld wordt uitgedrukt door zaken als de bereidheid van dokters om patiënten te behandelen en te helpen, ongeacht hun godsdienstige of politieke overtuigingen, of ze rijk zijn of arm, enz. Hoewel er wellicht een aantal argumenten zijn voor dit geloof - ofschoon dit een opvatting is die zelfs in dit opzicht niet indrukwekkend waar is - toch blijft het een feit, dat ethische overwegingen een uitgebreid gebied van menselijke aangelegenheden bestrijken. Door de medische praktijk ten opzichte van een aantal bepaalde waardevragen te neutraliseren, hoeft en kan niet betekenen dat die van al dit soort waarden vrij kan blijven. De medische praktijk is innig met de ethiek verbonden en het eerste wat we moeten doen, lijkt me, is dit helder en duidelijk te maken. Ik zal (pag.116) dit onderwerp hier laten rusten, omdat het ons in dit essay niet specifiek aangaat. Laat ik de lezer, om geen enkele onduidelijkheid te laten bestaan over de manier waarop of waar ethiek en geneeskunde elkaar ontmoeten, vraagstukken als anticonceptie, abortus, zelfmoord en euthanasie in herinnering brengen, als slechts enkele van de hoofdterreinen van het huidige medisch-ethisch dispuut. Naar mijn mening is de psychiatrie veel nauwer met de ethische problematiek verbonden dan de geneeskunde. Ik gebruik hier het woord "psychiatrie" met verwijzing naar dat tegenwoordige vakgebied, dat zich bezighoudt met levensproblemen (en niet met hersenaandoeningen, want dat zijn problemen voor de neuroloog). Problemen in menselijke relaties kunnen alleen geanalyseerd, geïnterpreteerd en betekenis gegeven worden binnen de gegeven maatschappelijke en ethische context. Het maakt dus wel degelijk verschil - ondanks argumenten die het tegendeel beweren - wat die maatschappij-ethische intenties van de psychiater nou net zijn; want die zullen zijn ideeën, over wat er met de patiënt mis is, over wat commentaar of interpretatie verdient en in welke mogelijke richtingen verandering wenselijk zou zijn, enzovoorts, beïnvloeden. Zelfs in de eigenlijke geneeskunde spelen deze factoren een rol, zoals bijvoorbeeld in de verschillende attitudes die artsen, afhankelijk van hun godsdienstige bindingen, ten opzichte van zaken als anticonceptie en de therapeutische abortus, hebben. Zou er nou echt iemand zijn die gelooft dat de ideeën van een psychotherapeut over godsdienstig geloof, slavernij of zulke andere onderwerpen, geen rol spelen in de uitoefening van zijn vak? Als dat wel verschil uitmaakt, wat kunnen we daaruit dan afleiden? Lijkt het dan niet terecht dat we verschillende psychiatrische therapieën zouden moet hebben - elk nadrukkelijk kenbaar aan de ethische standpunten die zij belichamen - voor laten we zeggen Katholieken en Joden, voor godsdienstige mensen en voor agnostici, voor democraten en communisten, voor blanke suprematisten en negers, enzovoort? Als we kijken hoe de psychiatrie (in het bijzonder in de Verenigde Staten) in feite wordt uitgeoefend, zien we dat mensen psychiatrische hulp zoeken in overeenstemming met hun maatschappelijke status en ethische overtuigingen (Hollingshead & Redlich, 1958) Dit zou ons niet meer moeten verbazen, dan wanneer ons verteld wordt, dat praktiserende Katholieken zelden anticonceptie-klinieken bezoeken. Het voorgaande standpunt, dat inhoudt dat hedendaagse psychotherapeuten meer met levensproblemen dan met psychiatrische afwijkingen en de genezing daarvan te maken hebben, is in tegenspraak met een huidige gangbare bewering, waarin men stelt dat de psychiatrische afwijking net zo "echt" en "objectief" is als de lichamelijke ziekte. Dat is een verwarrende bewering, omdat nooit duidelijk is wat men met woorden als "echt" en "objectief" bedoelt. Ik vermoed echter, dat wat door degenen die dit standpunt propageren bedoeld wordt is, om in de gangbare opvatting het idee te introduceren, dat de psychiatrische afwijking een soort ziekte-eenheid is, net als een infectie of een maligniteit. Als dat waar zou zijn zou men psychiatrische afwijkingen kunnen oplopen of krijgen, men zou ze kunnen hebben of met zich mee kunnen dragen, men zou ze op anderen kunnen overdragen en tenslotte zou men er kunnen afkomen. Naar mijn mening is er geen schijn van bewijs dat zo'n idee ondersteunt. Daarentegen wijzen alle bewijzen een andere richting uit en ondersteunen het idee dat, wat mensen een psychiatrische afwijking noemen, grotendeels communicatie is, die onaanvaardbare ideeën, bovendien vaak in een ongewoon idioom gegoten, tot uitdrukking brengt. De strekking van dit essay staat mij slechts toe deze alternatieve theoretische benadering van deze kwestie te vermelden (Szasz, 1957c). Dit is niet de plaats om op de overeenkomsten en verschillen tussen lichamelijke en psychische ziekten in detail in te gaan. Het is hier voor ons voldoende slechts een belangrijk verschil tussen die twee te benadrukken: namelijk waar de lichamelijke ziekte verwijst naar algemene, fysisch-chemische gebeurtenissen, wordt het begrip psychiatrische afwijkingen gebruikt om meer persoonlijke, socio-psychologische gebeurtenissen, waar de waarnemer (de diagnostici) zelf deel van uitmaakt, in een systeem onder te brengen. Met andere woorden: de psychiater staat niet buiten hetgeen hij waarneemt, maar is met de passende benaming van Harry Stack Sullivan: een "deelnemende waarnemer". Dat betekent dat hij vast zit aan het beeld van wat hij als de werkelijkheid beschouwt - en waarvan hij denkt dat de maatschappij het als de werkelijkheid beschouwt - en in het licht van deze overwegingen observeert en beoordeelt hij het gedrag van de patiënt. Dit raakt onze eerdere waarneming, dat het begrip psychisch symptoom zelf al een vergelijking inhoudt tussen de waarnemer, de psychiater en de patiënt. Dit is zo overduidelijk, dat men mij zou kunnen beschuldigen van het debiteren van trivialiteiten.. Laat ik daarom nogmaals stellen, dat mijn bedoeling van het aanhalen van dit argument was om nadrukkelijk een gangbare hedendaagse tendens om de morele aspecten van de psychiatrie (en psychotherapie) te ontkennen en daarvoor in de plaats zogenaamde waardevrije medische overwegingen te stellen, te bekritiseren en te weerleggen. Psychotherapie wordt bijvoorbeeld wijdverbreid op een manier uitgeoefend alsof het niets anders behelst dan het terugvoeren van de patiënt uit een toestand van psychisch ziekzijn, naar geestelijk een toestand van gezondzijn. Terwijl algemeen aangenomen wordt, dat de psychiatrische afwijking iets met de maatschappelijke (of interpersoonlijke) betrekkingen van de mens heeft te maken, wordt paradoxaal genoeg volgehouden dat waarde-vraagstukken (wat wil zeggen: ethische) in dit proces niet voorkomen (pag.117) (Noot 1). Toch zou in zekere zin veel psychotherapie over niets anders moeten gaan dan over het verhelderen en het afwegen van de doelen en waarden - waarvan vele onderling tegenstrijdig kunnen blijken - en de middelen waarmee deze het beste met elkaar in overeenstemming gebracht, gerealiseerd of afgeschaft zouden kunnen worden. De
verscheidenheid
van
menselijke
waarden
en
de wijzen waarop die gerealiseerd kunnen worden is zo
uitgebreid
en velen daarvan blijven zo weinig onderkend, dat ze wel moeten leiden
tot conflicten in menselijke relaties. Te stellen dat menselijke
relaties
op alle nivo's - van moeder tot kind, tussen man en vrouw, van land tot
land - vol zitten met stress, spanning en disharmonie, is
inderdaad
nogmaals een open deur intrappen. Toch kan het voor de hand liggende
ook
verkeerd begrepen worden. Dit is, denk ik, wat hier aan de hand
is.
Want het lijkt mij dat wij - tenminste in onze wetenschappelijke
gedragstheorieën
- er niet in geslaagd zijn het simpele feit te aanvaarden dat
menselijke
relaties onafscheidelijk belast zijn met problemen en dat het deze,
zelfs
redelijk, harmonieus maken, veel geduld en moeizame arbeid vergt. Ik
ben
van mening, dat de opvatting van de psychiatrische afwijking nu
gebruikt
wordt om bepaalde problemen te verdoezelen, die op dit moment
onlosmakelijke
- niet dat dat betekent dat ze onveranderlijk zijn - verbonden zijn met
de maatschappelijke omgang van mensen. Als dat waar is, functioneert
deze
opvatting als een dekmantel; in plaats van het aandacht te vraagt voor
tegenstrijdige menselijke behoeften, ambities en waarden, levert het
begrip
psychiatrische afwijking een amoreel en onpersoonlijk "ding" (een
"ziekte")
als verklaring voor levensproblemen op (Szasz 1959). In dit verband
kunnen
we herinneren aan het feit dat het nog niet zolang geleden duivels en
heksen
waren, die verantwoordelijk gehouden werden voor de problemen van
mensen
in hun maatschappelijke leven. Het geloof in de psychiatrische
afwijking
als iets anders dan de moeite die het de mens kost in de omgang met
zijn
medemens, is de ware erfgenaam van het geloof in demonen en hekserij.
De
psychiatrische afwijking bestaat en is "echt" op dezelfde manier waarop
heksen bestonden of "echt" waren. Keuze, verantwoordelijkheid en psychiatrie Ik heb weliswaar aangetoond dat de psychiatrische afwijking niet bestaat, maar ik heb duidelijk niet gezegd dat de maatschappelijke en psychologische gebeurtenissen, waarop dit etiket doorgaans geplakt wordt, ook niet bestaan. Net als de persoonlijke en maatschappelijke ellende, die mensen in de Middeleeuwen hadden, zijn ze echt genoeg. Het zijn de etiketten die wij hen geven en wat wij daarmee doen nadat we ze geëtiketteerd hebben, waar wij ons zorgen over maken. Hoewel ik hier niet verder op de zich vertakkende implicaties van dit probleem kan ingaan, is het de moeite waard op te merken, dat een demonologische opvatting van levensproblemen, aanleiding heeft gegeven tot therapie langs theologische lijnen. Tegenwoordig houdt het geloof in de psychiatrische afwijking niet slechts een therapie langs medische en therapeutische wegen in maar vereist dat zelfs. Wat de gedachtengang, die hier uiteengezet wordt, inhoudt is iets heel anders. Het ligt niet in mijn bedoeling een nieuwe opvatting van "psychiatrische ziekte" of een nieuwe vorm van "therapie" te introduceren. Mijn doel is bescheidener en toch ook ambitieuzer, namelijk om het voorstel te doen het verschijnsel dat nu psychiatrische afwijkingen genoemd wordt, opnieuw en eenvoudiger te bezien, dat het geschrapt wordt uit de ziekte-categorie en dat het beschouwd wordt als uitdrukking van het geworstel van de mens met de vraag hoe hij zou moeten leven. Het laatste is duidelijk een groot probleem, waarvan de gruwelijkheid niet alleen het onvermogen van de mens het hoofd te bieden aan zijn omgeving weerspiegelt, maar nog meer zijn groeiende zelf-reflectie. Naar
aanleiding
van
levensproblemen,
verwijs
ik
verder naar die waarlijk explosieve kettingreactie, die
begon
met de val van de mens uit de Goddelijke gratie, door het eten van de
vrucht
van de boom van kennis van goed en kwaad. Het bewustzijn van de mens
van
zichzelf en de wereld rondom hem, lijkt een doorlopend uitdijend
bewustzijn
met in zijn kielzog een steeds grotere last van het verstand ( een
uitdrukking
ontleend aan Suzanne Langer 1953). Deze last is dus te verwachten en
moet
niet verkeerd begrepen worden. Ons enige rationeel hulpmiddel ter
verheldering
is meer begrip en een op zo'n begrip gebaseerde passend actie. Het
voornaamste
alternatief ligt in het doen alsof de last niet is wat wij feitelijk
voelen
wat die is en in het toevlucht zoeken in een ouderwetse theologische
kijk
op de mens. In de laatste opvatting modelleert de mens zijn leven en
veel
van de wereld rondom hem niet, maar volgt hij slechts zijn lot in een
door
opperwezens geschapen wereld. Dit kan vanzelfsprekend leiden tot een
pleidooi
voor een niet verantwoordelijk zijn ten opzicht van ogenschijnlijk
ondoorgrondelijke
problemen en moeilijkheden. Toch lijkt het niet waarschijnlijk dat, als
de mens er niet in slaagt een groeiende verantwoordelijkheid voor zijn
handelen te nemen, een of andere hogere macht of wezen die taak op zich
zal nemen en die last voor hem zal dragen. Bovendien lijkt dit in de
menselijke
geschiedenis allesbehalve de juiste tijd om de vraag naar de
verantwoordelijkheid
van de mens voor zijn daden te verdoezelen, door die met de mantel van
een allesverklarende opvatting over de psychiatrische afwijking te
bedekken. Conclusie Ik
heb
geprobeerd
te
laten
zien,
dat het begrip psychiatrische afwijking zichzelf, hoe nuttig het ook
geweest
moge zijn, heeft overleefd en nu nog slechts functioneert
als
een handige mythe. Als zodanig is het een ware erfgenaam van de
religieuze
mythen in het algemeen en van het geloof in heksen in het bijzonder; de
rol van al deze geloofssystemen was om als "maatschappelijke
tranquillizers"
te dienen en daardoor de hoop te voeden dat beheersing van bepaalde
specifieke
problemen door middel van vervangende (magisch-symbolische) handelingen
bereikt zou kunnen worden. Het begrip psychiatrische afwijking dient
dus
hoofdzakelijk om het alledaagse feit te verdoezelen, dat het leven voor
de meeste mensen een doorlopende worsteling is, niet om biologisch te
overleven,
maar voor "een plaats onder de zon", zielerust, of wat voor andere
menselijke
waarde ook. Als voor de mens, die zich bewust is van zichzelf en de
wereld
rondom hem, de noodzaak zijn lichaam (en wellicht zijn soort) in stand
te houden min of meer bevredigd is, rijst de vraag wat hij met zichzelf
aan moet. Trouw blijven aan de mythe van de psychiatrische afwijking,
stelt
mensen in staat dit probleem onder ogen te zien en uit de weg te gaan,
in het geloof dat geestelijke gezondheid, opgevat als de afwezigheid
van
een psychiatrische afwijking, hen automatisch verzekert van het maken
van
juiste en veilige keuzes in de manier waarop zij hun leven leiden. Maar
de feiten zijn volmaakt anders. Het is juist het maken van goede keuzes
in het leven dat anderen achteraf als een goede geestelijke gezondheid
zien!
De mogelijkheid voor een universeel menselijk geluk lijkt mij, tenminste in deze vorm, slechts weer een voorbeeld van het soort ik-wou-dat-het-waar-was luchtkasteel. Ik geloof (*) dat menselijk geluk of welbevinden tot een tot nu toe onvoorstelbaar grote schaal, en niet alleen voor een uitverkoren minderheid, mogelijk is. Dit doel kan echter alleen bereikt worden met behulp van veel mensen en niet slechts door een minderheid, die bereid en in staat is zijn persoonlijke, maatschappelijke en ethische conflicten aan te pakken. Dit betekent dat ze de moed en eerlijkheid moeten hebben eerst het gevecht met valse façades, van het oplossingen te vinden voor surrogaatproblemen, aan te gaan - bijvoorbeeld het gevecht aangaan tegen brandend maagzuur en chronische vermoeidheid in plaats van een huwelijksconflict onder ogen zien. Onze tegenstanders zijn niet de demonen, de heksen, het lot of de psychiatrische afwijking. Wij hebben geen vijand die wij kunnen bestrijden, uitdrijven of verjagen door te "genezen". Wat we hebben zijn levensproblemen - of dat nu biologische, economische, politieke of socio-psychologische zijn. In
dit
essay
heb
ik
mij alleeen bezig
gehouden met problemen die tot de laatste soort behoren en binnen deze
groep hoofdzakelijk met diegene, die betrekking hebben op morele
waarden.
Het gebied waarop de moderne psychiatrie zich richt is uitgebreid en ik
heb geen poging gedaan dit hele gebied te bestrijken. Mijn onderwerp is
beperkt gebleven tot de stelling, dat de psychiatrische afwijking een
mythe
is, wier functie is de bittere pil van morele conflicten in menselijke
betrekkingen te vergulden en zo tot een smakelijk hapje te maken.
Bibliografie HOLLINGSHEAD,
A.B.,
&
REDLICB,
F.C.
Social
class and mental illness. New York: Wiley, 1958 Voetnoten (1) Freud ging zover dat hij stelde: "Ik beschouw ethiek als iets vanzelfsprekends. In feite heb ik nooit iets gemeens gedaan"(Jones, 1957, p. 247). Dit is ongetwijfeld merkwaardig om zoiets te zeggen, voor iemand die de mens zo van nabij heeft bestudeerd als Freud. Ik vermeld dit hier om te laten zien hoe het begrip 'ziekte"(en in het geval van psychoanalyse, "psychopathologie", of "psychiatrische afwijking") door Freud gebruikt werd - en door het merendeel van zijn navolgers - als een hulpmiddel om bepaalde vormen van menselijk gedrag te classificeren binnnen het gebied van de geneeskunde, en dus (met instemming) buiten dat van de ethiek! (*)
Opmerking
van
Christopher
D.
Green:
In de originele tekst uit de American Psychologist komt hier het
woord "niet" voor. Dr. Szasz heeft mij echter laten weten dat dit
"een drukfout was, die hij gecorrigeerd heeft toen hij het stuk opnieuw
publiceerde, bv, in Ideology and Insanity" (persoonlijke mededeling,
2002) |