Home ![]() De transcendentale Ervaring In Relatie tot Religie en Psychose door Ronald D. Laing We
moeten
bedenken,
dat
we in
een tijd leven, waarin de bodem beweegt en de grondvesten schudden. Ik
kan geen
antwoorden geven voor andere tijden en plaatsen. Misschien is het wel
altijd zo
geweest. We weten dat het vandaag zo is. Onder
deze
omstandigheden
hebben
we alle redenen om onzeker te zijn. Als de uiteindelijke basis
van onze
wereld in twijfel wordt getrokken, vluchten we naar allerlei
holen in de
grond: we spoeden ons in rollen, statussen, identiteiten en
interpersoonlijke
relaties. We trachten in kastelen te leven, die slechts in de lucht
kunnen
zweven, omdat er in de sociale kosmos geen stevige bodem is om op te
bouwen.
Priester en arts zijn beiden getuige van deze stand van zaken. Elk van
beiden
ziet af en toe hetzelfde fragment van de hele situatie, op een
verschillende
manier: vaak wordt onze zorg bepaald door een verschillende
voorstelling van de
oorspronkelijke catastrofe. In
dit
artikel
wil
ik de transcendentale
ervaringen, die soms in een psychose doorbreken, en die de Levende Bron
van
elke religie zijn, in verband brengen met de ervaringen met het
goddelijke. Ik
heb
elders de manier
geschetst, waarop een aantal psychiaters een begin maakt met het
herroepen van
hun klinisch-medische categorieën voor het begrijpen van
krankzinnigheid. Ik
geloof, dat als wij beginnen met het begrijpen van gezondheid en
waanzin in existentiële
maatschappelijke termen, wij als priester en arts, in staat worden
gesteld om
duidelijker de mate te zien, waarin wij de gewone problemen het hoofd
bieden en
met gewone dilemma’s omgaan. De
belangrijkste klinische termen
voor waanzin, waar tot nu toe geen organische beschadiging voor is
gevonden,
zijn schizofrenie, manisch-depressieve psychose en involutie-depressie.
Van uit
een maatschappelijk oogpunt kenmerken ze verschillende vormen van
gedrag, die
in onze maatschappij als afwijkend worden beschouwd. Mensen gedragen
zich op dergelijke
manieren, omdat zij zichzelf op een andere manier ervaren. Ik wil de
nadruk
leggen op de existentiële betekenis van zo’n ongewone ervaring. Een ervaring is gek, wanneer die de horizon overschrijdt, van ons gezond, dat wil zeggen, ons gemeenschappelijke verstand. Naar
wat
voor
ervaringsgebieden leidt dit dan? Het brengt een verliezen met zich mee
van de
gebruikelijke fundamenten van de ‘betekenis’ van de wereld, die wij met
elkaar
delen. Oude doeleinden lijken niet langer uitvoerbaar: het onderscheid
tussen
verbeelding, droom en uitwendige gewaarwordingen, lijken vaak niet meer
bruikbaar te zijn. Het kan lijken of uiterlijke gebeurtenissen op een
magische
manier tevoorschijn worden getoverd. Dromen kunnen op rechtstreekse
mededelingen
van anderen lijken: verbeelding kan op de objectieve werkelijkheid
lijken. Maar
het
meest radicaal van
alles, worden met name de ontologische fundamenten geschokt. Het
bestaan van de
verschijnselen verschuift en het kan gebeuren, dat het verschijnsel van
het
bestaan zich niet langer als voorheen aan ons zal voordoen. De persoon
wordt in
een leegte van niet-zijn ondergedompeld, waar hij schipbreuk in leidt.
Er zijn
geen houvasten, niets om aan vast te klampen, misschien met
uitzondering van
een paar wrakstukken, een paar herinneringen, namen, een of twee
voorwerpen, die
nog een band met de verloren wereld bewaren. Het kan zijn dat die
leegte niet
leeg is. Het kan zijn, dat die wordt bevolkt met beelden en stemmen,
geesten,
vreemde gedaantes en verschijningen. Niemand, die niet zelf heeft
ervaren, hoe
onwezenlijk de stoet van de uiterlijke werkelijkheid kan zijn, en hoe
die kan
vervagen, kan zich een voorstelling maken van de sublieme en groteske
verschijningen,
die het kunnen vervangen, of ernaast kunnen bestaan. Als
iemand gek wordt, vindt
er een ingrijpende verandering plaats van zijn positie in relatie tot
alle
gebieden van het bestaan. Zijn middelpunt van de ervaring beweegt van
het ego
naar het zelf. De gangbare tijd wordt alleen maar anekdotisch, alleen
het
Eeuwige doet er nog toe. De gek is echter verward. Hij haalt ego en
zelf door
elkaar, binnen en buiten, natuurlijk en bovennatuurlijk. Toch kan hij,
zelfs door
zijn diepe ellende en desintegratie heen, voor ons vaak de
hiërofant van het
heilige zijn. Een verbannene van het toneel van het bestaan, zoals wij
dat kennen,
een alien, een vreemdeling, die ons tekens geeft vanuit de leegte, waar
hij
schipbreuk in leidt. Die leegte kan worden bevolkt door verschijningen,
die wij
niet eens kunnen dromen. Ze worden gewoonlijk demonen en geesten
genoemd, die
men kent en een naam geeft. Hij heeft de betekenis van zichzelf, zijn
gevoelens, en zijn plaats in de wereld, zoals wij die kennen, verloren.
Hij
vertelt ons dat hij dood is. Maar we worden afgeleid van onze
behaaglijke zekerheid
door deze waanzinnige geest, die ons kwelt met zijn visioenen en
stemmen, die
zo onzinnig lijken en waar wij ons van voelen genoodzaakt, om hem
daarvan te
bevrijden, hem te reinigen en te genezen. Waanzin
hoeft
niet
een
volledige ineenstorting te zijn. Het is ook een doorbraak. Het is zowel
potentiële
bevrijding en vernieuwing, als slavernij en existentiële dood. Er
is een
groeiend aantal
verklaringen van mensen, die de ervaring van waanzin hebben
doorgemaakt. (1) Ik
wil nogal uitvoerig citeren uit een van de vroegere eigentijdse
verklaringen,
zoals die door Karl Jaspers in zijn ‘Algemeine Psychopathologie’ wordt
vermeld
(2): Ik geloof dat ik zelf de ziekte veroorzaakte. In mijn poging door te dringen in de andere wereld, stuitte ik op zijn natuurlijke wachters, de belichaming van mijn eigen zwakheden en fouten. Eerst dacht ik, dat deze demonen onaanzienlijke bewoners van de andere wereld waren, voor wie ik een speelbal was, omdat ik deze regionen onvoorbereid binnenging en verdwaalde. Later dacht ik dat het afsplitsingen waren van mijn eigen geest (hartstochten), die zich in mijn nabijheid in de vrije ruimte bevonden en teerden op mijn gevoelens. Ik geloofde, dat iedereen die had, maar ze niet waarnam, dankzij het bescherming biedende bedrog van het gevoel van persoonlijk bestaan. Ik had het idee, dat het laatste een artefact was van de herinnering, van gedachtecomplexen enz., een pop, aardig om van buitenaf naar te kijken, maar van binnen zonder enige realiteit. In
mijn geval was het
persoonlijke zelf poreus geworden, doordat mijn bewustzijn was
vervaagd.
Hierdoor wilde ik mijzelf dichter bij de bronnen van het leven brengen.
Ik had
mij daarop lange tijd moeten voorbereiden door een hoger, onpersoonlijk
zelf in
mij wakker te roepen, aangezien 'nectar' niet voor sterfelijke lippen
is. De
uitwerking op het dierlijk-menselijk zelf was desastreus: het viel
uiteen. De
onderdelen gingen geleidelijk tot ontbinding over, de pop was nu
werkelijk stuk
en het lichaam beschadigd. Ik had de toegang tot de 'bron van het
leven'
geforceerd, de vloek van de 'goden' daalde op mij neer. Ik had te laat
door,
dat er duistere elementen in het spel waren gekomen. Ik leerde ze pas
kennen,
toen ze al te veel macht hadden. Er was geen weg terug. Daar had ik nu
die
geestenwereld, die ik zo graag wou zien. De demonen kwamen uit de
afgrond te
voorschijn, als Cerberussen, de toegang ontzeggend aan wie geen
toestemming had
om binnen te komen. Ik besloot de strijd op leven en dood aan te gaan.
Dat
hield voor mij uiteindelijk in, dat ik besloot te sterven, aangezien ik
alles
opzij moest zetten, wat de vijand in stand hield, maar dat was tevens
alles wat
het leven in stand hield. Ik wilde de dood binnengaan zonder
krankzinnig te
worden en stond voor de Sfinx: of gij de afgrond in, of ik! Toen
kwam de verlichting.
Ik vastte en drong zo door tot de ware aard van mijn verleiders. Het
waren
souteneurs en bedriegers van mijn dierbare persoonlijke zelf, dat al
even
waardeloos bleek als zij. Er kwam een ruimer en meeromvattend zelf te
voorschijn en ik kon mijn vorige persoonlijkheid met haar hele
entourage laten
schieten. Ik zag nu wel in dat deze vorige persoonlijkheid nimmer
transcendentale gebieden kon binnengaan. Ik voelde daardoor een
verschrikkelijke pijn, maar ik was gered, de demonen krompen ineen,
verdwenen
en kwamen om. Er begon voor mij een nieuw leven en van toen af voelde
ik me
anders, dan andere mensen. Er groeide in mij opnieuw een zelf, dat
bestond uit
leugens omwille van de conventie, uit komediespel, zelfbedrog
en
herinneringsbeelden,
een
zelf net als dat van andere mensen, maar
daarachter en
daarboven bevond zich een groter en meeromvattend zelf, dat op mij de
indruk
maakte van eeuwigheid, onveranderlijkheid en onschendbaarheid en
sindsdien
steeds mijn beschermer en toevlucht is geweest. Ik
geloof dat het voor
heel wat
mensen goed zou zijn, om ook eens kennis te maken met zo'n hoger zelf
en dat er
mensen zijn die dit doel langs een vriendelijker weg hebben bereikt. - Jaspers
merkt
op: "Zo’n
zelf-interpretaties worden kennelijk gemaakt onder invloed van
waanachtige
neigingen en diepe psychische krachten. Ze ontspringen aan diepe
ervaringen en
de rijkdom van zo’n schizofrene ervaring vraagt, van zowel de
toeschouwer als
van de onnadenkende patiënt, dit allemaal niet slechts als een
inhoudelijk chaotische
warboel op te vatten. Geest en ziel zijn in het ziekelijke psychische
leven,
net zo goed aanwezig als in het gezonde. Maar
interpretaties van dit
soort
moeten worden bevrijd van elke oorzakelijke relevantie. Het enige wat
ze kunnen
doen, is een licht op de inhoud werpen en het in een of ander soort
context
plaatsen." Ik
zou
eerder willen zeggen,
dat deze patiënt, met een luciditeit, die ik niet zou kunnen
verbeteren, een
Queeste heeft beschreven, met zijn valkuilen en gevaren, die hij
uiteindelijk
lijkt te hebben overstegen. Maar toch spreekt Jaspers over deze
ervaring nog
als ziekelijk, en doet daarmee afbreuk aan de eigen constructie van de
experi-patiënt.
Zowel de ervaring als de constructie lijken mij, in hun eigen
bewoordingen,
valide. Ik
wil
duidelijk
maken,
dat
ik het over bepaalde transcendentale ervaringen heb, die voor mij de
oorspronkelijke bron van alle religies lijken te zijn. Sommige
psychotische
personen hebben transcendentale ervaringen. Vaak (naar hun beste
herinnering)
hebben zij nooit eerder zo’n ervaring gehad, en vaak zullen zij die ook
nooit
weer hebben, maar ik zeg niet, dat de psychotische ervaring
noodzakelijkerwijs
dit element meer uitgesproken bevat, dan de gezonde ervaring. De
persoon die
zulke domeinen binnen wordt gevoerd, gedraagt zich waarschijnlijk
merkwaardig.
Ik heb elders een aantal details beschreven van de omstandigheden, die
aanleiding lijken te geven, tot dit binnenvoeren, en de grove
mystificatie die
de taal en het denken van het medisch klinisch onderwijs begaat,
wanneer het wordt
betrokken op het verschijnsel waanzin, zowel als maatschappelijk feit,
als als
een existentiële ervaring. De
schizofreen kan inderdaad
waanzinnig zijn. Hij is waanzinnig. Hij is niet ziek. Mensen, die de
ervaring
van de waanzin hebben doorgemaakt, hebben me verteld, hoe datgene, wat
toen werd
ontsluierd, waarlijk Hemels manna was. Het kan zijn, dat het hele leven
van die
persoon is veranderd, maar het is moeilijk om niet te twijfelen aan de
geldigheid van zo’n visioen. Bovendien komt niet iedereen weer naar ons
terug. Zijn
deze
ervaringen
gewoon
de
schittering van een pathologisch proces, of van een bijzondere
vervreemding?
Ik denk dat ze dat niet zijn. Er
mag
dan
van
alles zijn ingebracht,
tegen de verschillende scholen van psycho-onsterfelijkheidsanalyse en
diepte-psychologie, maar een van hun grote verdiensten is, dat ze
expliciet het
cruciale verband hebben onderkend, tussen de ervaring van elk persoon
en zijn
of haar uiterlijk gedrag, met name het zogenoemde “onbewuste” gedrag. Er
bestaat
een
nog steeds
gangbare mening, dat er op een of andere manier een samenhang bestaat,
tussen
gezond zijn en onbewust zijn, of althans niet te bewust van het
“onbewuste,” en
dat sommige vormen van psychose de gedragsmatige ontwrichting zijn,
veroorzaakt
door het overweldigd worden door het “onbewuste.” Wat
zowel
Freud als Jung “het
onbewuste” noemden, is gewoon waar wij ons, in onze historisch bepaalde
vervreemding, onnadenkend van bewust zijn. Het is niet
noodzakelijkerwijs of
fundamenteel onbewust. Ik
hang
niet alleen maar
onzinnige paradoxen op, als ik zeg dat wij, de gezonden, buiten onze
geest staan.
De geest is datgene, waar het Ik onbewust van is. Onze geest is niet
onbewust.
Onze geest is bewust van onszelf. Vraag jezelf maar af wie en wat het
is, dat
onze dromen droomt. Onze onbewuste geest? De Dromer die onze dromen
droomt,
weet veel meer van ons, dan wij van hem weten. Het is alleen maar
vanuit een
opmerkelijke positie van vervreemding, dat de Bron van het leven, de
Fontein
van het Leven, wordt ervaren als het Het. De geest waar wij ons niet
bewust van
zijn, is zich bewust van ons. Wij zijn het die buiten onze geest staan.
Wij
hoeven ons niet bewust te zijn van onze innerlijke wereld. Meestal
beseffen we het
bestaan daarvan niet. Maar
veel
mensen
gaan het
binnen – helaas zonder gids, halen innerlijke en uiterlijke
werkelijkheden door
elkaar, en binnen en buiten – en verliezen doorgaans het vermogen om,
in gewone
relaties, adequaat te functioneren. Dat
hoeft
niet.
Het
proces
van ingaan vanuit deze wereld in de andere wereld, en terugkeren naar
deze
wereld, vanuit de andere wereld, is net zo “natuurlijk” als dood en
geboorte of
geboren worden. Maar in onze huidige wereld, die zowel zo bang als zo
onbewust
van de andere wereld is, is het niet verwonderlijke dat, als “de
werkelijkheid,” het weefsel van deze wereld, uiteenbarst, en iemand de
andere
wereld betreedt, hij volledig verloren en doodsbang is, en van anderen
alleen
maar onbegrip ontmoet. In
een
aantal gevallen heeft
men blindgeborenen geopereerd, waardoor ze weer konden zien. Het
resultaat:
vaak ellende, verwarring en desoriëntatie. Het licht dat de
waanzinnige
verlicht is een onaards licht, maar ik geloof niet dat het projectie
is, een uitvloeisel
van zijn wereldse ego. Hij wordt verlicht door een licht dat meer is
dan hij.
Het kan hem doen opbranden Deze
“andere”
wereld
is
wezenlijk niet een slagveld, waarop psychologische krachten, afgeleid
of
omgeleid, verplaatst of gesublimeerd van hun oorspronkelijke
object-cathexis, met
elkaar in een denkbeeldig gevecht zijn verwikkeld – hoewel zo’n
krachten deze
werkelijkheden kunnen verduisteren, net zoals ze zogenaamde externe
werkelijkheden kunnen verduisteren. Toen Iwan, in de Gebroeders
Karamazow, zei,
“Als God niet bestaat, is alles toegestaan,” zei hij niet: “Als mijn
superego,
in een geprojecteerde vorm, kan worden afgeschaft, kan ik met een goed
geweten
alles doen.” Hij zegt dus: “Als alleen mijn geweten bestaat, is er geen
ultieme
geldigheid voor mijn wil.” De
eigenlijke
taak
van de
arts (psychotherapeut, analyticus) zou dus moeten zijn, in
geselecteerde
gevallen, de betrokkene uit die wereld te halen en hem te verplaatsen
naar de
andere. Hem erin te begeleiden, en hem weer terug te leiden. Iemand
betreedt
de
andere
wereld door een schil te doorbreken: of door een deur: door een
scheidingswand:
de gordijnen gaan uit elkaar of omhoog: een sluier wordt opgelicht. Het
is niet
hetzelfde als een droom. Het is “echt” maar op een andere manier als
een droom,
verbeelding, waarneming of fantasie. Zeven sluiers: zeven zegels, zeven
hemelen. Het
“ego”
is het instrument
om in deze wereld te leven. Als het “ego” uiteenvalt, of wordt
vernietigd (door
de onoverkomelijke tegenstrijdigheden van bepaalde levenssituaties,
door
toxinen, chemische veranderingen, etc.), dan kan de persoon aan die
andere
wereld worden blootgesteld. De
wereld
die iemand
betreedt, iemands vermogen die te ervaren, lijkt deels bepaald door de
toestand
van iemands “ego.” Onze
tijd
wordt, meer dan wat
dan ook, gekenmerkt door beheersing, controle van de uitwendige wereld,
en door
een bijna volledig vergeten van de innerlijke wereld. Als men de
menselijke
evolutie beoordeelt, vanuit het standpunt van kennis van de uitwendige
wereld,
dan gaan we in veel opzichten vooruit. Als
wij
die beoordeling maken
vanuit het standpunt van de innerlijke wereld, en vanuit de eenheid van
binnen
en buiten, moet het oordeel heel anders zijn. Fenomenologisch
hebben
de
termen
“inwendig” en “uitwendig” weinig geldigheid. Maar in dit hele
rijk, wordt
men tot louter verbale hulpmiddelen beperkt – woorden gebruiken, is
gewoon met
de vinger naar de maan wijzen. Een van de problemen van het huidige
praten over
deze zaken is, dat juist het bestaan van innerlijke werkelijkheden in
twijfel
wordt getrokken. Met
“innerlijk” bedoel ik al
die werkelijkheden, die gewoonlijk geen “uiterlijke,” objectieve
verschijning
hebben – de werkelijkheid van verbeelding, dromen, fantasieën,
trances, de
werkelijkheid van contemplatieve en meditatieve toestanden:
werkelijkheden, waar
de moderne mens grotendeels niet het minste besef van heeft. Nergens in
de
bijbel is bijvoorbeeld enig bewijs voor het bestaan van goden, demonen
of
engelen te vinden. Mensen “geloofden” niet eerst in God: zij ervoeren
Zijn
Aanwezigheid, zoals dat ook voor andere spirituele machten gold. De
vraag was
niet óf God bestond, maar of deze bepaalde God de grootste God
van allemaal
was, of de enige God; en wat het verband tussen de verschillende
spirituele
machten onderling was. Thans is er een openbare discussie, niet over
het
vertrouwen in de echtheid van God, zijn bijzondere plaats in de
spirituele
hiërarchie van de verschillende geesten, etc., maar of God en
dergelijke
geesten eigenlijk bestaan, of ooit hebben bestaan. Gezondheid
lijkt
tegenwoordig
hoofdzakelijk
te berusten, op het vermogen om zich aan de uiterlijke
wereld aan
te passen – de interpersoonlijke wereld en het rijk van menselijke
gemeenschappelijkheden. Aangezien
deze
uiterlijke
menselijke
wereld bijna volledig en totaal van de innerlijke wereld is
vervreemd, brengt elk persoonlijk rechtstreeks bewustzijn van de
innerlijke
wereld ernstige risico’s met zich mee. Maar
aangezien de
maatschappij, zonder het te weten, hunkert naar het innerlijk, is het
beroep op
mensen om de aanwezigheid daarvan op een “veilige” manier op te roepen,
op een
manier die niet serieus hoeft te worden genomen, etc., enorm – terwijl
de
ambivalentie even krachtig is. Geen wonder, dat de lijst van
kunstenaars in, pak
weg de laatste 150 jaar, die op deze riffen schipbreuk hebben geleden,
zo lang
is – Hölderlin, John Clare, Rimbaud, Van Gogh, Nietzsche, Antonin
Artaud,
Strindberg, Munch, Bartok, Schumann, Büchner, Ezra Pound... Degenen
die
overleefden,
hadden
buitengewone eigenschappen – een vermogen tot stilzwijgen, sluwheid,
geslepenheid
– een volkomen realistische beoordeling van de gevaren die zij liepen,
niet
alleen van de spirituele sferen, die zij vaak bezochten, maar ook van
de
vijandschap van hun medebroeders voor iedereen, die daarmee bezig was. Laten
wij
hen
genezen.
De
dichter, die een echte vrouw voor zijn Muze houdt en daarnaar
handelt….De
jongeman, die in een boot van wal steekt op zoek naar God…. De
buitenkant,
die
van elke
verlichting door de binnenkant is afgescheiden, verkeert in een
toestand van
duisternis. Wij leven in een tijd van duisternis. De toestand van
uitwendige
duisternis is een staat van zonde – d.w.z., alienatie of vervreemding
van het
Innerlijke Licht. Bepaalde handelingen leiden tot een nog grotere
vervreemding;
sommige andere helpen iemand om die afstand te verminderen. De eerste
doen
kwaad, de laatste goed. De
manieren om te verdwalen
zijn legio. Waanzin is beslist niet de minst ondubbelzinnige. De
tegenovergestelde waanzin van de psychiatrie van Kraepelin, is het
exacte
tegenovergestelde van de “officiële” psychose. Het is letterlijk,
en volkomen
ernstig, even waanzinnig, als wij met waanzin elke radicale
vervreemding van de
subjectieve of objectieve werkelijkheid beschouwen. Denk maar aan de
objectieve
waanzin van Kierkegaard. Zoals
wij
de wereld ervaren,
zo handelen wij ook. Wij gedragen onszelf in het licht van onze
opvatting over wat
er al dan niet aan de hand is. Dat wil zeggen, dat iedereen min of meer
een naïeve
ontologist is. Iedereen heeft een mening over wat er is, en wat er niet
is. Volgens
mij
bestaat
er geen
twijfel over, dat er ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden in
de
menselijke ervaring in de laatste duizend jaar. In zekere zin is dat
duidelijker dan de veranderingen in zijn gedragspatronen. Alles wijst
erop dat
de mens God heeft ervaren. Geloof was nooit een zaak van geloven dat
Hij
bestond, maar van het vertrouwen in de Aanwezigheid die werd ervaren en
het
weten van het bestaan als een zelfbevestigend gegeven. Het lijkt
waarschijnlijk
dat veel meer mensen in onze tijd, noch de Aanwezigheid van God
ervaren, noch
de Aanwezigheid van Zijn Afwezigheid, maar de afwezigheid van Zijn
Aanwezigheid. Wij
hebben de geschiedenis
van verschijnselen nodig – niet alleen maar verschijnselen van de
geschiedenis. In
feite
verkeert de
wereldlijke psychotherapeut vaak in de rol van de blinde die de
halfblinde
leidt. De
Fontein is nog niet
uitgespeeld, de Vlam brandt nog steeds, de Rivier stroomt nog steeds,
de Bron
borrelt nog steeds door, het Licht is nog niet uitgedoofd. Maar tussen
ons en
Het, bevindt zich een sluier die meer lijkt op vijftig voet hard beton.
Deus
absconditus (God is verborgen). Of wijzelf zijn stiekem vertrokken. Alles
in
onze tijd is erop
gericht om deze werkelijkheid te categoriseren en te scheiden van
objectieve
feiten. Dat is nou net de betonnen muur. Intellectueel, emotioneel,
interpersoonlijk, organisatorisch, intuïtief en theoretisch moeten
wij onze weg
door de massieve muur heen opblazen, zelfs met het risico op chaos,
waanzin en
dood. Want vanaf deze kant van de muur, loert het gevaar. Er is geen
belofte,
geen zekerheid. Veel
mensen zijn bereid om te
geloven, in de zin van een wetenschappelijk niet te verdedigen geloof
in een onbeproefde
hypothese. Er zijn er maar weinig, die voldoende vertrouwen hebben om
het te
beproeven. Maar weinigen worden op hun ervaring geloofd. Paulus van
Tarsus werd
in zijn nekvel gegrepen, op de grond geworpen en was drie dagen blind.
Deze
rechtstreekse ervaring was zelfbevestigend. Wij
leven
in een
geseculariseerde wereld. Om zich aan deze wereld aan te passen, moet
het kind
afstand doen van zijn extase. (L'enfant abdique son
extase.–Mallarmé.) Als wij
ons ervaren van de Geest hebben verloren, verwacht men van ons dat wij
geloven.
Maar dit geloof wordt een geloof in een werkelijkheid, die niet
duidelijk is.
Er staat een profetie in het boek Amos, over een tijd die zal komen,
waarin er
honger in het land zal heersen, “niet een honger naar brood, niet een
dorsten
naar water, maar naar het horen van de woorden van de Heer.” Die tijd
is nu
aangebroken. Het is deze tijd. Vanuit
het vervreemde
uitgangspunt van onze pseudo-gezondheid, is alles dubbelzinnig. Onze
gezondheid
is geen “echte” gezondheid. Hun waanzin is geen “echte” waanzin. De
waanzin van
onze patiënten is een artefact van vernietiging, die door ons bij
hen wordt
aangericht, en via hen bij onszelf. Laat niemand denken dat wij meer
“echte”
waanzin tegenkomen, dan dat wij echt gezond zijn. De waanzin waar wij
mee worden
geconfronteerd bij “patiënten”, is een grove travestie, een
aanfluiting, een
groteske karikatuur van wat de natuurlijke genezing van die vervreemde
integratie,
die wij gezondheid noemen, kan zijn. Echte gezondheid houdt op een of
andere
manier het uiteenvallen van het normale ego in, dat onechte zelf, dat
zich adequaat
aan onze vervreemde sociale werkelijkheid heeft aangepast: het
tevoorschijn
komen van de “innerlijke” archetypische middelaars met een goddelijke
kracht,
en door deze dood een wedergeboorte, en het uiteindelijke herstel van
een
nieuwe manier van het functioneren van het ego, waarbij het ego dan de
dienaar
van het Goddelijke is, en niet langer de verrader daarvan.
1 See, for example, the anthology, The Inner World of Mental Illness: A Series of First-Person Accounts of What It Was Like. Ed. Bert Kaplan. N.Y.: Harper and Row,1964. 2 Manchester University Press, 1962, pp. 417-18. (Also from Univ. of Chicago and Univ. of Toronto Presses.) |